Amsterdam, liftopbouw

Raad van State, 14-1-2009
Welstandscommissie verwijst in 2007 naar een verleende bouwvergunning in 2003. In 2004 is echter een revisietekening ingediend waarop een liftopbouw voorkomt; niet gebleken is dat die liftopbouw destijds door de welstandscommissie is beoordeeld. Dat had dus nu moeten gebeuren. Vandaar dat de Raad van State het beroep gegrond verklaart, ook al is er geen second opinion ingediend.

LJN: BG9726, Raad van State , 200803151/1    Print uitspraak
 
Datum uitspraak:    14-01-2009
Datum publicatie:    14-01-2009
Rechtsgebied:    Bouwen
Soort procedure:    Hoger beroep
Inhoudsindicatie:    Bij besluit van 24 mei 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) aan [belanghebbenden] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het veranderen van de gebouwen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de percelen).
 

Uitspraak
200803151/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1832 van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2008 in het geding tussen:

[appellante]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) aan [belanghebbenden] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het veranderen van de gebouwen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de percelen).

Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de motivering van het besluit van 24 mei 2006 aangevuld en dit besluit voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 17 maart 2008, verzonden op 19 maart 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 mei 2008.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door drs. J.J.M. Schipper, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.P. Peters, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts zijn daar als [belanghebbenden], vertegenwoordigd door mr. S.L. Schram, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij in haar belangen is geschaad door de omstandigheid dat zij eerst na de zitting bij de rechtbank de stukken heeft ontvangen die het dagelijks bestuur de rechtbank op 28 januari 2008 heeft toegezonden, faalt, nu het geen stukken betreffen waarmee [appellante] niet bekend was, althans niet bekend kon zijn.

2.2. Het bouwplan voorziet in een wijziging van de gebouwen op de percelen in afwijking van eerder verleende bouwvergunningen. De wijziging ziet op een bestemmingswijziging van een woongebouw met zeven woningen en kantoor tot een woongebouw met vijf woningen en een bedrijfsruimte, het inpandig veranderen van de woningen, het centraliseren van dakopbouwen en liftopbouw en het verplaatsen van hekwerken.

2.3. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

(…)

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.

2.4. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Museumplein e.o.". Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten (hierna: de welstandscommissie) van 13 februari 2007 niet aan zijn besluit van 13 maart 2007 ten grondslag had mogen leggen. Daartoe voert zij aan dat de welstandscommissie het bouwplan ten onrechte niet heeft getoetst aan de van toepassing zijnde Welstandsnota Oud-Zuid, waarmee de dakopbouwen en liftopbouw in strijd zijn.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 maart 2006 in zaak nr. 200506325/1), mag het college, hoewel hij niet aan een advies van een ter zake deskundige welstandscommissie is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan zo'n advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

In haar advies van 13 februari 2007 heeft de welstandscommissie zich op het standpunt gesteld dat de liftopbouw op het dak niet is gewijzigd ten opzichte van het eerder goedgekeurde bouwplan met kenmerk 17-590.

De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat de bij besluit van 25 juni 2003 verleende bouwvergunning met kenmerk 17-590 geen betrekking heeft op de liftopbouw. Voorts is niet gebleken dat de welstandscommissie een positief advies heeft uitgebracht over de op 30 maart 2004 door het dagelijks bestuur goedgekeurde revisietekening waarop de liftopbouw is ingetekend. Nu de welstandscommissie niet eerder heeft geadviseerd over de liftopbouw, kon zij in haar advies van 13 februari 2007 niet verwijzen naar het eerder goedgekeurde bouwplan met kenmerk 17-590. Dit betekent dat het welstandsadvies van 13 februari 2007 niet zorgvuldig tot stand is gekomen, zodat het dagelijks bestuur dit niet - althans niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.6. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur, door het welstandsadvies niet te voegen bij het bestreden besluit, heeft gehandeld in strijd met artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, is in het besluit op bezwaar de integrale tekst van het welstandsadvies van 13 februari 2007 opgenomen, zodat het dagelijks bestuur niet gehouden was dit advies aan [appellante] toe te zenden. De omstandigheid dat uit de in het besluit op bezwaar opgenomen integrale tekst van het welstandsadvies niet is op te maken op welke bouwtekening dit advies betrekking heeft, leidt, anders dan [appellante] betoogt, niet tot een ander oordeel, nu de aanvraag om bouwvergunning is voorgelegd aan de welstandscommissie en deze aanvraag is gepubliceerd overeenkomstig artikel 41 van de Woningwet.

2.7. Het hoger beroep van [appellante] richt zich voorts tegen de overweging van de rechtbank dat, zelfs indien de liftopbouw in strijd is met de welstandsnota, [appellante] geen belang heeft bij een vernietiging van het besluit van 13 maart 2007, omdat [belanghebbenden] dan kunnen bouwen conform de in 2003 verleende bouwvergunning, hetgeen niet tot enig voordeel voor [appellante] zal leiden.

Voormelde overweging van de rechtbank betreft een overweging die is gegeven in weerwil van eerdere inhoudelijke overwegingen die de beslissing van de rechtbank kennelijk dragen en die zelf voor die beslissing niet dragend is. Dit brengt mee dat de overweging ten overvloede is gegeven en dat hetgeen [appellante] naar aanleiding van deze overweging heeft aangevoerd, geen bespreking behoeft.

2.8. Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat is gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning, faalt dit betoog. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, valt dit betoog buiten de omvang van deze procedure, nu daarin alleen de verleende vrijstelling en bouwvergunning ter beoordeling voorligt. Zo in afwijking van de verleende bouwvergunning is gebouwd, is dat een kwestie van handhaving.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit van het dagelijks bestuur van 13 maart 2007 alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.10. Van door [appellante] gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2008 in zaak nr. 07/1832;

III. verklaart het door [appellante] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid van 13 maart 2007, kenmerk 06-137;

V. gelast dat de gemeente Amsterdam aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Soede
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009