Utrecht, Kohnstammschool

Utrecht, Kohnstammschool
Aan de orde is de vraag of de manier waarop Utrecht de welstandsadvisering praktiseert, waarbij het gros van de plannen door de ambtelijk secretaris wordt afgedaan en alleen de complexe kwesties in de commissie worden besproken, door de beugel kan.
De Utrechtse ambtelijk secretaris geeft, formeel, geen rechtsgeldig welstandsadvies af (mag dat ook niet, volgens de wet), maar een pre-advies dat door de welstandscommissie vervolgens wordt gesanctioneerd.
In het onderhavige geval is een complex bouwplan door de welstandscommissie onder enkele expliciete voorbehouden positief beoordeeld. Het aan die opmerkingen aangepaste plan is daarna niet meer in de commissie geweest, maar door de ambtenaar van een positief (stempel-)advies voorzien.
Sanctionering van dat stempeladvies door de commissie is pas na anderhalf jaar gebeurd, nadat de zaak voor de rechtbank aanhangig was gemaakt. De Raad van State heeft geen moeite met die manier van werken.

LJN: BM7712,Voorzitter Raad van State , 201004709/2/H1


Datum uitspraak:    07-06-2010
Datum publicatie:    16-06-2010
Rechtsgebied:    Bouwen
Soort procedure:    Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie:    Bij besluit van 1 oktober 2008 heeft het college aan de Stichting Primair Openbaar Onderwijs (hierna: de Stichting) bouwvergunning verleend voor het vergroten van een schoolgebouw op het perceel Marislaan 1 te Utrecht (hierna: het perceel).
 

Uitspraak
201004709/2/H1.
Datum uitspraak: 7 juni 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) van 9 april 2010 in zaak nr. 09/1021 in het geding tussen onder meer:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2008 heeft het college aan de Stichting Primair Openbaar Onderwijs (hierna: de Stichting) bouwvergunning verleend voor het vergroten van een schoolgebouw op het perceel Marislaan 1 te Utrecht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 februari 2009, gewijzigd bij besluit van 28 januari 2010, heeft het college het door onder andere [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2010, verzonden op 12 april 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep tegen het besluit van 26 februari 2009 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep van onder meer [verzoeker] tegen het besluit van 28 januari 2010 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2010, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 20 mei 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] tegen het besluit van 1 oktober 2008 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De Stichting heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 mei 2010, waar [verzoeker], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Krak en M. van de Wiel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. De Stichting is, vertegenwoordigd door mr. D. van Tilborg, advocaat te Breda, bijgestaan door S.P.M. Schoone, G. Gijsberts en H. Verborg, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bouwplan voorziet in het vergroten van de Kohnstammschool. Ter plaatse zal een deel van de bestaande school op het perceel worden gesloopt. De bebouwde oppervlakte op het perceel wordt vergroot van 826,8 m² tot 1295 m².

Voor zover thans wordt gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning, zoals [verzoeker] stelt, is dat in deze procedure niet aan de orde.

2.3. Het besluit van 20 mei 2010 is een besluit, als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van deze wet, dient het hoger beroep te worden geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft hierop eveneens betrekking.

2.4. In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en de bouwvergunning voor het bouwplan niet mogen worden verleend. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

De Commissie Welstand en Monumenten heeft in haar advies van 23 september 2008, voor zover thans van belang, het bouwplan, onder enkele voorbehouden, goedgekeurd. Vervolgens heeft de secretaris van deze commissie op 20 november 2008 een zogenoemd stempeladvies uitgebracht. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 28 januari 2010 een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering ontbeert, nu het college voormeld stempeladvies van 20 november 2008 zonder nadere motivering bij dit besluit heeft betrokken. In het inmiddels overgelegde verslag van de vergadering van de Commissie Welstand en Monumenten Oost van 27 april 2010, dat is betrokken bij het besluit van 20 mei 2010, is vermeld dat deze commissie de eerdere positieve preadvisering ten aanzien van het bouwplan bevestigt, dat de uitwerking van de materialisatie en detaillering in het verlengde ligt van de besprekingen in de commissie en dat de revisietekeningen terecht van een positief advies zijn voorzien.

[verzoeker] bestrijdt voorts niet het oordeel van de rechtbank dat het bouwplan voldoet aan de artikelen 4.62 en 4.63 van het Bouwbesluit 2003. De stelling dat desalniettemin op het perceel onvoldoende stallingsruimte voor fietsen aanwezig is, leidt, wat daarvan zij, gelet op artikel 44, eerste lid, van de Woningwet niet tot het oordeel dat het college de gevraagde bouwvergunning moest weigeren.

2.5. Gelet op het hierboven overwogene, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Sloots
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2010