6 Vergunningvrij bouwen en ruimtelijke kwaliteit

Sturen met de welstandsnota: 'kleine'

vergunningvrije bouwwerken aan de straatzijde

1. Tekst van de handreiking 'Vergunningvbrij bouwen en ruimtelijke kwaliteit'

Het BOR legt in een viertal gevallen een rechtstreekse relatie tussen vergunningvrij bouwen en de inhoud van de welstandscriteria: bij dakkapellen, uitstekende dakramen, serres/schuurtjes en schuttingen die aan de publieke ruimte grenzen. Deze bouwwerken zijn in principe vergunningplichtig, maar de gemeente kan ze via de welstandsnota vergunningvrij maken.
Een dakkapel aan de voorzijde, of naar het openbaar gebied gekeerde zijkant van een gebouw, is normaliter niet vergunningvrij. Daarop is nu een uitzondering gemaakt: indien de dakkapel op grond van het bestemmingsplan niet wordt uitgesloten, en indien in de welstandsnota staat dat er voor deze kapel geen redelijke eisen van welstand gelden, dan kan hij zonder omgevingsvergunning worden gebouwd.
Hetzelfde geldt voor dakramen die maximaal 60 centimeter uit het dakvlak steken, voor bijbehorende bouwwerken die op minder dan 1 meter afstand van het openbaar toegankelijk gebied worden gebouwd en voor erfscheidingen tussen 1 en 2 meter hoog, die op minder dan 1 meter van het openbaar toegankelijk gebied worden opgetrokken.
De redenering is dat dakkapellen, uitstekende dakramen, bijgebouwen en schuttingen afbreuk kunnen doen aan de kwaliteit van de architectuur en van de publieke ruimte. Door deze bouwwerken – aan de straatzijde – vergunningplichtig te maken, kan een gemeente welstandseisen stellen aan het uiterlijk en de plaatsing in het belang van de (beeld-)kwaliteit van de publieke ruimte.
Maar waarom zou je zo’n vergunningplicht ook eisen in welstandsvrije gebieden? In zulke gebieden laat de gemeente zijn regie over de beeldkwaliteit welbewust varen, waardoor de logica achter de vergunningplicht vervalt. Vandaar dat deze vier categorieën van bouwwerken in welstandsvrije gebieden ook omgevingsvergunningvrij zijn.
De vergunningsplicht voor deze vier werken kan ook in andere gebieden opgeheven worden: door in de welstandsnota expliciet te vermelden dat voor dakkapellen op het voor- of zijdakvlak in een bepaald gebied geen redelijke eisen van welstand gelden (desgewenst kan dat per gebied afzonderlijk worden geregeld), worden deze bouwwerken ontheven van hun vergunningsplicht.

Excessen

De ingewikkelde regelgeving heeft echter één onvermoede consequentie. Bouwwerken waarvoor uitdrukkelijk helemaal geen welstandseisen gelden (omdat ze in welstandsvrije gebieden liggen of omdat ze nadrukkelijk als categorie welstandsvrij gemaakt zijn), is de excessenregeling niet van toepassing. Indien de dakkapel aan de voorzijde via  bovengenoemde constructie welstandsvrij gemaakt is, en een bewoner realiseert op zijn voordak en zijn achterdak identieke wanstaltige dakkapellen, dan kan de gemeente, met de excessenregeling in de hand, alleen tegen de dakkapel op het achterdakvlak optreden, en niet tegen het veel beter zichtbare exces aan de voorzijde.
Dat is te ondervangen door in de welstandsnota te bepalen dat voor deze specifieke werken geen gebiedsgerichte- of objectgerichte welstandscriteria gelden. Dan gelden immers de criteria voor excessen nog wel. Ook kan ervoor gekozen worden om een bepaald gebied aan te wijzen als ‘welstandsvrij, behoudens criteria voor excessen’. Overigens kan het  bestemmingsplan gebruikt worden om de maatvoering en de plaatsing in het dakvlak van een via deze constructie vergunningvrij gemaakte dakkapel aan de voorzijde te regelen: in tegenstelling tot de schutting, dakraam en aan- en bijgebouwen, die in art. 2 staan (waarvoor het bestemmingsplan niet geldt) staat de regel voor een vergunningvrije dakkapel aan de straat in art. 3, zodat het bestemmingsplan maatvoering en plaatsing kan beïnvloeden.