9 Vergunningvrij bouwen en ruimtelijke kwaliteit

Erfgoed en ruimtelijk beleid

1. Tekst uit de Handreiking Vergunningvrij Bouwen en ruimtelijke kwaliteit
2. Voorbeelden
3. Actueel: Vergunningvrij Bouwen bij Monumenten en in beschermde gezichten
4. Website Erfgoed en Ruimte
5. Jurisprudentie


1. Tekst uit Handreiking Vergunningvrij Bouwen rn Ruimtelijke Kwaliteit

Monumentenzorg – Gemeentelijke monumentenlijst, bescherming via het bestemmingsplan, beschermd terrein

a. Rijksmonumenten en door het Rijk beschermde gezichten
b. Provinciale monumenten en door de provincie beschermde gezichten
c. Gemeentelijke monumenten en gemeentelijke beschermde gezichten
d. Gemeentelijke beschermde terreinen en structuren
e. Erfgoed in het bestemmingsplan

Eén van de uitzonderingsbepalingen van het vergunningvrij bouwen betreft de monumentenzorg. Vergunningvrij bouwen is niet toegestaan in, aan, op of bij rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten, en ook niet in door het Rijk aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten.
De hier bedoelde monumentenstatus heeft tot gevolg dat voor álle normaliter vergunningvrije bouwwerken (zowel het bouwen van beperkte betekenis uit artikel 2 van het BOR (bijlage II) als de meer omvangrijke bouwmogelijkheden op grond van artikel 3 van het BOR) een omgevingsvergunning voor het bouwen noodzakelijk is, en tevens een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument.
In hoeverre kunnen gemeenten deze monumentenstatus aanwenden om in gevoelige situaties het vergunningvrije bouwen te weren?

a. Rijksmonumenten en door het Rijk beschermde gezichten

Gemeenten hebben tegenwoordig nauwelijks invloed op de aanwijzing van nieuwe rijksmonumenten. In de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg is aangegeven dat het Rijk zeer terughoudend zal zijn met het aanwijzen van nieuwe monumenten, en de aanwijzing van nieuwe beschermde stads- en dorpsgezichten zelfs geheel zal beëindigen. Aan de oude situatie, waarin een simpele voordracht voor plaatsing op de monumentenlijst al voldoende was om ‘voorbescherming’ tot stand te brengen, is met een recente wetswijziging een einde gekomen. Het initiatief om tot aanwijzing van een nieuw rijksmonument over te gaan, wordt genomen door de minister (al blijft het natuurlijk altijd mogelijk voor burgers of gemeenten om de minister te attenderen op bepaalde cultuurhistorisch waardevolle, maar bedreigde bouwwerken).

Er zijn momenteel ruim vierhonderd beschermde stads- en dorpsgezichten en er zijn er nog een stuk of vijftig in procedure.
Het instrument van de beschermde stads- en dorpsgezichten wordt geleidelijk vervangen door gebiedsgerichte monumentenzorg, waarbij het bestemmingsplan het centrale instrument zal zijn ter bescherming van cultuurhistorische waarden. In artikel 3.1.6 van het Besluit Ruimtelijke Ordening wordt de bepaling toegevoegd dat cultuurhistorische waarden voortaan meegewogen moeten worden bij het opstellen van een bestemmingsplan. Dat impliceert een gedegen cultuurhistorisch onderzoek en de verwerking daarvan in de beschrijving, de regels en de plankaart van het bestemmingsplan. De contouren van dat nieuwe stelsel beginnen zich langzaam af te tekenen (zie daarvoor het vervolg van deze paragraaf).
De status van rijksmonument of door het Rijk beschermd stads- of dorpsgezicht is dus voldoende om voor álle bouwwerken en verbouwingen een vergunningsplicht te realiseren. Het is echter niet de gemeente die deze status kan verlenen.

beschermd stadsgezicht Enkhuizen


b. Provinciale monumenten en door de provincie beschermde gezichten

Provincies zijn tot dusverre zeer terughoudend geweest bij het aanwijzen van beschermde monumenten op grond van een eigen provinciale verordening. Het is echter goed voorstelbaar dat het karakter van bepaalde cultuurhistorische objecten of gebieden die van groot provinciaal belang worden geacht, door de verruimde mogelijkheden van het vergunningvrij bouwen worden bedreigd. In zulke gevallen kan de aanwijzing tot provinciaal monument tot effect hebben dat op, aan, in en bij het monument het bouwen uitsluitend is toegestaan indien daarvoor een omgevingsvergunning wordt afgegeven, die mede getoetst wordt op welstandsaspecten en op de beschermde cultuurhistorische waarden.
Provinciale beschermde stads- en dorpsgezichten zetten, evenmin als de beschermde landschapsgezichten, de knop ‘vergunningvrij bouwen’ echter niet uit.

c. Gemeentelijke monumenten en gemeentelijke beschermde gezichten

Buiten de 60.000 rijksmonumenten, telt ons land ook nog eens zo’n 50.000 gemeentelijke monumenten. De gemeentelijke monumentenlijst wordt beschermd op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening. Bouwaanvragen voor wijziging van een gemeentelijk monument worden door de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit (ofwel de afzonderlijke welstands- en monumentencommissies) getoetst aan de cultuurhistorisch relevante aspecten én aan de criteria uit de welstandsnota. Indien een bouwplan niet voldoet aan de welstandseisen of aan de cultuurhistorische eisen, dan kan een omgevingsvergunning voor het bouwen niet verleend worden — tenzij het bevoegd gezag gemotiveerd anders beslist.
Aanwijzing tot een gemeentelijk monument heeft tot onmiddellijk effect dat de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen geheel worden ‘uitgezet’, zowel voor het kleine als voor het omvangrijke vergunningvrije bouwen. De eigenaar heeft dus voor elke wijziging aan of bij het monument een omgevingsvergunning nodig, zowel voor het bouwen als voor de cultuurhistorische aspecten. Het effect is onmiddellijk, omdat zelfs reeds de voordracht tot plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst al dezelfde bescherming tot gevolg heeft (zogenoemde voorbescherming).
Een gemeente die in een bepaald gebied het vergunningvrije bouwen wil weren heeft het minder makkelijk. Het instrument van het gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezicht voldoet niet, want ook al drukt het gemeentebestuur door de aanwijzing tot beschermd gezicht beleidsmatig uit dat het gebied van groot cultuurhistorisch belang is voor de gemeenschap, van die aanwijzing gaat op zichzelf geen enkele bescherming uit; de bijzondere status kan hooguit blijken uit de bepalingen van een (conserverend en beschermend) bestemmingsplan.

d. Gemeentelijke beschermde terreinen en structuren

Over de bescherming van monumentale terreinen en structuren via de gemeentelijke monumentenlijst, met als mogelijk gevolg het onmogelijk maken van vergunningvrij bouwen, is hiervoor (bij de instrumenten voor kleine vergunningvrije bouwwerken) voldoende gezegd.

e. Erfgoed in het bestemmingsplan

Een moderne manier om cultuurhistorische waarden te beschermen, loopt via het bestemmingsplan. Het is mogelijk om via een zogenoemde ‘dubbelbestemming’ de cultuurhistorisch cruciale belangen in een bestemmingsplangebied te beschermen. Zo heeft de gemeente Delft voor het cultuurhistorisch waardevolle Agnetapark de dubbelbestemming ‘cultuurhistorisch waardevolle bebouwing’ in het bestemmingsplan vastgelegd. Vergroting of verandering van bestaande gebouwen met zo’n dubbelbestemming zijn niet toegestaan, indien de wijziging zichtbaar is vanaf de openbare weg. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om van dit bouwverbod afwijking te verlenen, indien naar het oordeel van B&W geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarde.

Ook de gemeente Zeist werkt met dubbelbestemmingen. In twee specifiek benoemde gebieden in Bosch en Duin/Den Dolder ligt een dubbelbestemming, omdat behoud van het bijzondere cultuurhistorische karakter van groot belang wordt geacht. In deze gebieden wordt iedere omgevingsvergunning voor het bouwen niet alleen getoetst aan de traditionele bestemmingsplanbepalingen, maar ook aan de vraag of het bouwplan een aantasting betekent van de cultuurhistorische waarde. Die cultuurhistorische toets wordt uitgevoerd door de gemeentelijke monumentencommissie.
Deze werkwijze heeft eveneens onmiddellijke gevolgen voor de omvangrijke vergunningvrije bouwwerken. Zulke bouwwerken mogen immers niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Wanneer de monumentencommissie oordeelt dat een bepaald bouwplan (vanwege de situering of vanwege het specifieke ontwerp) de cultuurhistorische waarden aantast, dan kan het niet zonder aanpassingen gerealiseerd worden, zelfs als het voldoet aan de overige kenmerken van vergunningvrij bouwen.
Park Rodichem
De cultuurhistorische waarde van Park Rodichem in Huis ter Heide (gem. Zeist) is met een dubbelbestemming in het bestemmingsplan beschermd

Net als Zeist hanteert ook de gemeente Oosterhout in haar bestemmingsplan een dergelijke dubbelbestemming, en wel voor het beschermde dorpsgezicht De Heilige Driehoek. In deze dubbelbestemming is ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen en een vrijstellingsbevoegdheid. Dat betekent in Oosterhout dat niet alleen iedere bouwaanvraag, maar ook iedere verstoring van het terrein wordt voorgelegd aan de Commissie voor Welstand en Monumenten, die moet adviseren over de vraag of de ingreep niet in strijd is met de te beschermen cultuurhistorische waarden.
Dit zijn, in het licht van de discussie over vergunningvrij bouwen en de toekomst van de welstandsadvisering, interessante moderniseringen. Immers, op deze manier wordt een advies over de vraag of een specifiek bouwplan geen aantasting betekent van cultuurhistorische waarden losgekoppeld van het specifieke welstandsbeleid op grond van de Woningwet, en verbonden met het systeem van het bestemmingsplan.
In de voorbeelden uit Delft, Zeist en Oosterhout blijkt dat het goed voorstelbaar is dat voor een specifiek architectonisch ontwerp geen vergunning verleend kan worden — bijvoorbeeld omdat wit stucwerk afbreuk doet aan een omgeving waarin uitsluitend in baksteen gebouwd is —, maar dat wijziging van het ontwerp (andere materialen, kleuren, een betere inpassing in de cultuurhistorische omgeving) wel verenigbaar is met de cultuurhistorische waarden in het gebied.
Zeist en Oosterhout geven de monumentencommissie de bevoegdheid om te beoordelen of de dubbelbestemming van het bestemmingsplan wordt nageleefd, in andere gemeenten (Den Haag, Apeldoorn) worden de bouwvoornemens door de ambtelijke plantoetsers aan het gehele bestemmingsplan getoetst, inclusief de dubbelbestemming. Aangezien de kwalitatieve beoordeling van een ontwerp in relatie tot de cultuurhistorische aspecten van een andere orde is dan de beoordeling van de kwantitatieve normen die het bestemmingsplan traditioneel kenmerken, adviseert de Federatie Welstand de inschakeling van de experts uit de monumentencommissie.

Planologisch erfgoedregime ©
De gemeenten Maastricht en Eindhoven gaan nog een stapje verder in het gebruik van hun bestemmingsplan voor de gebiedsgerichte monumentenzorg. Deze gemeenten hebben voor enige (experimentele) gebieden zeer gedetailleerde bestemmingsplannen ontworpen. In de bestemmingsplannen zijn cultuurhistorisch waardevolle structuren en terreinen voorzien van een dubbelbestemming. Bovendien zijn cultuurhistorisch waardevolle panden op een speciale manier aangegeven, en per pand wordt beschreven welke cultuurhistorische waarden in het geding zijn.
In deze bestemmingsplannen wordt een directe relatie gelegd met de gemeentelijke erfgoedverordening en vice versa. Op die manier is het mogelijk geworden om in het bestemmingsplan gemeentelijke monumenten aan te wijzen en ook gemeentelijke monumentale terreinen. De bedenkers van deze aanpak — adviesbureau Res Nova in nauw overleg met gespecialiseerde ambtenaren, welstandsexperts en juristen — zijn ervan overtuigd dat deze manier van werken hetzelfde effect heeft als de traditionele aanwijzing tot gemeentelijk monument. Zowel bij de gearceerde panden als in de structuren en terreinen met dubbelbestemming zou langs deze weg het vergunningvrije bouwen volledig uitgesloten zijn. Finale juridische toetsing bij de Raad van State heeft echter nog niet plaats kunnen vinden.

Waarschuwing

Het gebruik van het bestemmingsplan voor de bescherming van cultuurhistorische waarden is van vrij recente datum. Er is op dit terrein nog weinig jurisprudentie ontwikkeld. Het is niet goed mogelijk om precies te bepalen wat nu juridisch aanvaardbaar is, en waar de grens overschreden wordt.

Van juridisch belang is in elk geval, dat het bestemmingsplan bedoeld is om een ‘goede ruimtelijke ordening’ tot stand te brengen. Het plan is niet bedoeld voor het regelen van de welstandszorg. Daarvoor bestaat immers het wettelijke instrument van de welstandsnota op grond van de Woningwet. Bestemmingsplanbepalingen die expliciet gericht zijn op welstandsaspecten (kleur, detaillering, materiaalgebruik, architectonische verhoudingen, ontwerpkwaliteit, relatie tot de vormgeving van omliggende bebouwing), kunnen waarschijnlijk de juridische toets niet doorstaan. Toch zijn het mede dit soort aspecten die een rol spelen bij de vraag of een bepaald bouwplan bedreigend is voor de cultuurhistorische waarden die via een dubbelbestemming beschermd worden. De Wabo en het rijksbeleid gericht op de Modernisering van de Monumentenzorg, alsmede het rijksvoornemen om de welstandsbepalingen uit de Woningwet over te hevelen naar de Wet ruimtelijke ordening, hebben ingrijpende gevolgen voor het karakter van bestemmingsplannen. De globale documenten die slechts meetbare grootheden bevatten, transformeren naar gedetailleerde documenten waarin naast meetbare eenheden ook beleidsregels zijn vastgelegd, die voor interpretatie vatbaar zijn. Daarmee wordt het bestemmingsplan (in combinatie met de structuurvisie) een instrument voor integrale kwaliteitsbeoordeling.

Zie hierover bijvoorbeeld de volgende rechterlijke uitspraak: Raad van State, 26-9-2007 over appartementen in het beschermde stadsgezicht van Harlingen.


naar begin pagina

2. Voorbeelden

De gemeente Den Haag gebruikt dubbelbestem-mingen in het bestemmingsplan Westeinde e.o. In de toelichting  op het bestem-mingsplan schrijft de gemeente:

De juridisch-planologische bescherming van de beschermde stadsgezichten - het rijksbeschermd stadsgezicht Centrum en het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Zeeheldenkwartier dat voor een klein deel binnen het plangebied valt (zie paragraaf 2.2.3) - vindt plaats langs twee wegen. In de eerste plaats worden de goot- en nokhoogte bij de karakteristieke bebouwing zo nauwgezet mogelijk per pand aangegeven, om de verscheidenheid in goot- en nokhoogte te waarborgen. Indien tussen aangrenzende panden een hoogteverschil kleiner dan 1 m bestaat, is voor het maximum gekozen; bij grotere hoogteverschillen zijn de goot- en nokhoogte per pand aangeduid.

In de tweede plaats zijn de beschermd stadsgezichten zelf op de plankaart aangeduid. Op de gronden die als zodanig zijn aangeduid is de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie van toepassing. Centraal staat de regel dat slechts mag worden gebouwd met inachtneming van de cultuurhistorische waarden. Deze waarden worden beschreven in bijlagen bij de regels: de toelichting op de aanwijzing van een deel van het plangebied tot Rijksbeschermd Stadsgezicht Centrum en de bijbehorende historisch-ruimtelijke waarderingskaart respectievelijk de toelichting op de aanwijzing van het Gemeentelijk beschermd stadsgezicht Zeeheldenkwartier. Als de algemene bouwregels of bouwregels in andere bestemmingen een bebouwing toestaan die in strijd is met de cultuurhistorische waarden die een van beide aanwijzingen beschrijven, moeten de cultuurhistorische waarden in acht worden genomen en geven deze de doorslag. Alleen indien de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden onrevenredig worden beperkt én indien in zo'n geval de welstands- en monumentencommssie is geraadpleegd, kan daarop een uitzondering worden gemaakt.

Tenslotte kent de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie een aanlegvergunningplicht: pleisteren, verven en dergelijke van gevels en muren binnen een beschermd stadsgezicht is gebonden aan een aanlegvergunning. Dit mag alleen als het geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden die in de bijlagen worden beschreven.

 

Gemeente Oosterhout

Bestemmingsplan Leijsenakkers en beschermd dorpsgezicht De Heilige Driehoek

6.2.18 Beschermd stads- en dorpsgezicht (dubbelbestemming)

De dubbelbestemming ‘Beschermd stads- en dorpsgezicht’ is opgenomen voor het hele gebied dat volgens de aanwijzing tot het beschermd dorpsgezicht behoort. Binnen deze bestemming is de bescherming van de stedenbouwkundige aspecten van het beschermd dorpsgezicht geregeld. Dit betekent dat (vervangende) nieuwbouw uitsluitend mag worden gerealiseerd mits overeenkomstig de bestaande rooilijnen, goot- en bouwhoogte, gevelindeling, voorgevelbreedte en dakhelling. Hiermee zijn de ruimtelijke karakteristieken van de bebouwing beschermd.

Daarnaast zijn verschillende karakteristieke elementen beschermd door middel van een aanlegvergunningenstelsel. Zo mogen zonder aanlegvergunning van burgemeester en wethouders geen gebouwen of delen van gebouwen worden gesloopt, mogen bestaande wegen en paden niet worden verlegd en mogen de bestaande profielen en het bestratingsmateriaal niet worden gewijzigd. Een aanlegvergunning kan pas worden verleend nadat is aangetoond dat door de werkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarde en het beeldbepalende karakter van de aanwezige bebouwing en de karakteristieke inrichting van het gebied.

De commissie voor welstand en monumenten heeft hierbij een adviesrol.

 

Bron: Gemeente Zeist, bestemmingsplan Hoge Dennen Kerckebosch.
Nota van Toelichting.

20.1    Bestemmingsomschrijving

De voor "Waarde – Cultuurhistorie-2" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding van de volgende gemeentelijke monumentale structuren:
a.   laanstructuur Oranje Nassaulaan;
b.   plantsoenen Oranje Nassauplein en Julianaplein;
c.   voormalige buitenplaats van ‘kasteel Kerckebosch’ langs de Arnhemse Bovenweg.
 
20.2    Bouwregels
 
20.2.1          Toegestane bouwwerken
In afwijking van het elders in deze regels bepaalde met betrekking tot het bouwen, mogen op en in de gronden als bedoeld in lid 20.1, andere bouwwerken ten behoeve van de in lid 20.1 aangegeven doeleinden worden gebouwd, zoals terreinafscheidingen en informatie- en aanwijsborden.
 
20.2.2          Aanvullende bepalingen andere bestemmingen
Het bouwen en gebruik krachtens andere bestemmingen van de gronden als bedoeld in lid 20.1, mag uitsluitend geschieden voorzover de cultuurhistorisch belangen dat gedogen en nadat ter zake advies is ingewonnen bij de Monumentencommissie van de gemeente Zeist.
 
20.3    Specifieke gebruiksregels

a.   Het kappen van bomen die deel uitmaken van de monumentale laanstructuur wordt aangemerkt als gebruik in strijd met dit bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening;
b.   Van het strijdige gebruik onder a is uitgezonderd het kappen vanwege ziekte, (verkeers)veiligheid en/of de tijdige vervanging in het kader van het beheer.
 
20.4    Aanlegvergunning

Artikel 26 is van toepassing op het uitvoeren van in dat artikel aangegeven werken en werkzaamheden, op en in de daarbij aangegeven gronden, met de daarbij aangegeven voorwaarden en uitzonderingen.

Toelichting:
Artikel 20 Waarde-Cultuurhistorie-2

Deze bestemming is gebruikt om de Monumentale laanstructuur van de Oranje Nassaulaan en de plantsoenen aan het Oranje Nassauplein en het Julianaplein te beschermen, die voorheen als gemeentelijke monumentale structuur golden. Met de dubbelbestemming is aangeven dat de cultuurhistorische waarden prioriteit genieten boven de andere bestemmingen. Het kappen van bomen is verboden, tenzij dat gebeurt vanwege ziekte, veiligheid of een tijdige vervanging in het kader van het beheer. Aanlegwerkzaamheden zijn alleen mogelijk als vooraf de monumentencommissie is geraadpleegd en de monumentale belangen niet onevenredig worden geschaad. De bestemming Waarde-Cultuurhistorie-2 is eveneens toegekend aan de gronden van hotel Kerckebosch, omdat deze ook cultuurhistorische waarde hebben en ook tot een gemeentelijke monumentale structuur behoorden.

Ook de laanstructuren langs Hoog Kanje en de Arnhemse Bovenweg genieten bescherming. Anders dan de structuur van de Oranje Nassaulaan is dit echter geen monumentale structuur. De laanbomen genieten bescherming omdat ze beeldbepalend zijn en om die reden landschappelijke waarde hebben. Hiervoor is geen dubbelbestemming gebruikt maar een aanduiding ‘landschapswaarden’. Zie ook de bestemming Verkeer.

 

Bron:

Gemeente Eindhoven,
Bestemmingsplan De Bergen

Zie ook de informatie hierover bij Res Nova

Eindhoven, bestemmingsplan De Bergen (fragment)
24.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde-Cultuurhistorie’ aangewezen gronden zijn, naast de voor de aldaar voorkomende onderliggende basisbestemming, tevens bestemd voor het behoud, de versterking en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en ruimtelijke waarden. Deze objecten met cultuurhistorische en ruimtelijke waarden, behorende tot de erfgoedcontour van het gebied De Bergen, zijn op de ‘beleidskaart’ nader aangeduid als dominant, beeldbepalend/kenmerkend en basiskwaliteit respectievelijk in de kleuren rood, oranje en geel, met dien verstande dat de dominant, in de kleur rood, aangeduide cultuurhistorische waarden, zijn aan te merken als gemeentelijk monument in de zin van artikel 18 lid 1 juncto artikel 1 lid 3 sub b van de Monumentenverordening 2006.De als beeldbepalende/kenmerkend aangeduide objecten zijn, voor zover deze het aanzien vanaf de openbare weg betreft, eveneens aan te merken als gemeentelijk monument als hiervoor vermeld.
24.2 Bouwregels
Naast het bepaalde omtrent het bouwen voor de aldaar voorkomende onderliggende basisbestemming mag binnen de erfgoedcontour slechts worden gebouwd in overeenstemming met de ruimtelijke karakteristiek en de cultuurhistorische waarden zoals die zijn omschreven in het cultuurhistorisch basisonderzoek en zijn aangeduid op de daarop gebaseerde Beleidskaartmet in achtneming van het volgende: a. behoud onderhoud en versterken gaat voor vernieuwen en ontwikkelen; b. vernieuwen en ontwikkelen geschiedt vanuit en met respect voor de cultuurhistorische waarden.
Om te beoordelen of bij het bouwen aan deze uitgangspunten wordt voldaan kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat een bouwhistorisch en/of cultuurhistorisch projectonderzoek wordt verricht.

De Bergen
Legenda 1

naar bovenkant pagina

3. Actueel: Vergunningvrij Bouwen bij Monumenten en in beschermde gezichten

In december 2010 heeft het kabinet besloten om wijzigingen aan te brengen in de Monumentenwet en het Besluit Omgevingsrecht, om daarmee een aantal voornemens uit de beleidsnota Modernisering Monumentenzorg vorm te geven. Naar verwachting zullen deze voorstellen op 1 januari 2012 van kracht worden.

De tekst van dit voorstel is hier te lezen.

In de wijziging wordt ten eerste de verplichting geregeld om in ieder bestemmingsplan rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Dat impliceert dus een cultuurhistorisch onderzoek, voorafgaand aan het opstellen van een bestemmingsplan, en de betekenisvolle verwerking daarvan in planregels en plankaart. In de tekst hierboven wordt daarop al ingespeeld. Het is goed mogelijk om de cultuurhistorie met dubbelbestemmingen gebiedsgericht in het bestemmingsplan op te nemen.

Ten tweede wordt het 'onderhoud' aan rijksmonumenten vergunningvrij. Het gaat daarbij om onderhoud waarbij geen wijzigingen worden aangebracht in het monument, d.w.z.: de onderhoudswerkzaamheden geschieden in hetzelfde materiaal, dezelfde kleur en dezelfde detaillering als het origineel. Critici hebben er op gewezen dat op deze wijze gesanctioneerd wordt dat uniek historisch bouwmateriaal straffeloos vervangen kan worden door moderne replica's. Daarnaast is onduidelijk waar precies de grens ligt van gewoon onderhoud. De rijksoverheid meent dat het reinigen van gevels daartoe niet gerekend kan worden - daardoor verandert immers de kleur van het pand. Anderen houden vol dat het verwijderen van vuil, zoals bijvoorbeeld graffiti, of het wegnemen van roet en stof wel degelijk gezien kan worden als onderhoud. Daarbij moet bedacht worden dat onoordeelkundige gevelreiniging funest kan zijn voor de 'baklaag' en het voegwerk van eeuwenoude monumenten.

Ten derde worden interne verbouwingen in rijksmonumenten vergunningvrij, voorzover de 'monumentale waarde' van het pand niet wordt aangetast. In veel gevallen is voor interne wijzigingen in het monument geen omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht, maar altijd was wel een omgevingsvergunning voor wijziging van het monument vereist. Dat laatste vereiste vervalt. Critici hebben er op gewezen dat de kennis over de 'monumentale waarde'  van het interieur niet beschikbaar is. Niet bij de eigenaar, maar daarbuiten ook niet. De critici, waaronder tal van gemeenten, pleiten daarom voor een 'servicemoment', of een meldingsplicht, waardoor er gelegenheid bestaat om een deskundige blik te laten beoordelen welke aspecten monumentale waarde hebben, om te voorkomen dat door onwetendheid of moedwil unieke historische elementen verdwijnen.

Ten slotte, en dat is in het kader van de handreiking 'Vergunningvrij Bouwen en Ruimtelijke Kwaliteit' het meest relevant, wordt het gewone vergunningvrij bouwen ook geïntroduceerd in de door het rijk aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten. Op alle achtererven die niet grenzen aan openbaar toegankelijk gebied mogen dezelfde vergunningvrije bijbehorende bouwwerken verschijnen als elders: zowel het kleine vergunningvrije bouwen (schuren, serres, dakkapellen, schuttingen) als het omvangrijke vergunningvrije bouwen (loodsen tot 5 meter hoog, tot de maten die het bestemmingsplan mogelijk maakt).

Zie over dit onderwerp het persbericht van de Federatie Welstand, en de artikelen onder het tabblad 'Uit de pers'.

Oterleek 1 Oterleek 2

Beschermd dorpsgezicht De Schermer, bij Oterleek. Dergelijke vergunningvrije bouwwerken zijn niet toegestaan bij de beschermde monumenten, maar wel bij alle niet monumentale gebouwen in het beschermde gezicht.


naar begin pagina

4. Website Erfgoed en Ruimte

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft een digitale handreiking Erfgoed en Ruimte samengesteld, speciaal bedoeld voor ambtenaren van gemeenten en provincies, maar ook interessant voor andere doelgroepen.

Er verscheen over dit onderwerp een brochure.

De digitale handreiking is op deze webpagina te vinden.


naar begin pagina

5. Jurisprudentie

Den Haag, beschermd gezicht bestemmingsplan Westeinde e.o.
Raad van State, 24-11-2010
In deze uitspraak wordt helder uitgelegd op welke wijze de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' uitwerkt in concrete situaties. Ook de rol van de monumentencommissie komt aan de orde.

Rotterdam, woning in beschermd stadsgezicht Kralingen. Vergoeding kosten second opinion.
Raad van State, 9-2-2011
Rotterdam heeft ontheffing verleend van het bestemmingsplan, om de bouw van een woning in het beschermde stadsgezicht van Kralingen mogelijk te maken.
Bij de welstandsadvisering is van alles mis gegaan. Twee welstandsadviezen werden procedureel ondeugdelijk afgegeven. De rechtbank heeft de gemeente de gelegenheid gegeven om een derde welstandsadvies in te winnen dat wel volgens de regelen der kunst tot stand is gekomen. Het bezwaar daartegen wordt door de Raad van State onjuist beoordeeld: had de rechtbank anders beslist, dan was het resultaat trager, maar niet anders geweest, omdat de gemeente dan opnieuw een besluit over de bouwaanvraag had moeten nemen en daarbij opnieuw een welstandsadvies had moeten inwinnen.
Bezwaarde heeft het welstandsadvies ook inhoudelijk aangevochten, o.a. door de opinie van twee deskundigen te overleggen. Deze oordeelden dat het welstandsadvies in strijd is met het bestemmingsplan; de Raad van State zegt echter dat het welstandsadvies geen planologische uitspraken mag doen, maar de planologische omstandigheden als gegeven dient te beschouwen en slechts een welstandsadvies mag afgeven.
Bezwaarde vraagt ook nog vergoeding voor de kosten van de deskundigen-adviezen. De Raad van State merkt op dat een niet-juridisch advies in principe voor vergoeding in aanmerking kan komen, indien het advies kan bijdragen aan een voor de bezwaarde gunstige uitspraak van de rechter. Daarvan is in dit geval geen sprake.