Utrecht, dakkapel op aanbouw

Een dakkapel op de aanbouw is volgens de welstands- en monumentencommissie in strijd met de sneltoetscriteria, en is ook blijkens de algemene criteria uit de welstandsnota in strijd met redelijke eisen van welstand.
Belanghebbende komt daar op diverse gronden tegen in het geweer. E'en van de bezwaren is dat hij, ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe, niet is uitgenodigd om aan de welstandscommissie een toelichting op het plan te geven.
De Raad van State meent dat de betrokkene zijn visie op de aspecten van het plan genoegzaam in de bezwaarfase naar vorten heeft gebracht, waarna een reactie is gegeven door de welstandscommissie; de RvS concludeert daaruit dat de welstandscommissie van alle relevante feiten op de hoogte was.
Het is niet te verwachten dat de welstandscommissie na een toelichting in de vergadering tot een ander oordeel zou zijn gekomen, zodat de betrokkene volgens de RvS niet benadeeld is.

LJN: BP8770, Raad van State , 201008542/1/H1   
Datum uitspraak:    23-03-2011
Datum publicatie:    23-03-2011
Rechtsgebied:    Bouwen
Soort procedure:    Hoger beroep
Inhoudsindicatie:    Bij besluit van 8 mei 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] ontheffing en bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van de achtergevel en het achterdakvlak van een woning aan de [locatie] te Utrecht (hierna: het perceel).
Uitspraak
201008542/1/H1.
Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 juli 2010 in zaak nr. 09/2793 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] ontheffing en bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van de achtergevel en het achterdakvlak van een woning aan de [locatie] te Utrecht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 14 juli 2010, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 22 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 oktober 2010.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2011, waar [appellant], in persoon, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde thans van belang, mag met het uiterlijk van

a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid,

b. een bestaande standplaats,

c. een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is vereist, niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b.

Ingevolge artikel12a, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling: of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 12b, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn de adviezen van de welstandscommissie openbaar. Een advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester inhoudende dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, wordt schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, zijn de door de welstandscommissie gehouden vergaderingen openbaar.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, voor zover thans van belang, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien:

a. (…);

b. (…);

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld dan wel met een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.27 of 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening of met een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die wet;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. t/m g. (…).

Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder a, beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een lichte bouwvergunning binnen zes weken na ontvangst van die aanvraag.

Ingevolge het derde lid is het eerste lid niet van toepassing, indien de in artikel 44, eerste lid, onderdeel c of f, bedoelde situatie zich voordoet. In dat geval wordt, voor zover thans van belang, de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, 3.22, 3.23 of 3.38, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Ingevolge het vijfde lid is, indien burgemeester en wethouders niet omtrent de aanvraag om bouwvergunning beslissen binnen de daarvoor in het eerste of vierde lid gestelde termijn en, indien het derde lid van toepassing is, een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening is genomen, de vergunning van rechtswege verleend. Deze verlening wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was op de voorliggende aanvraag te beslissen, omdat voor het bouwplan bouwvergunning van rechtswege is verleend. Volgens [appellant] is het bouwplan in overeenstemming met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Eerste algehele herziening en gedeeltelijke intrekking uitbreidingsplan in onderdelen Hoograven I" (hierna: het bestemmingsplan). Zo het bouwplan niet in overeenstemming met het bestemmingsplan zou zijn, betoogt [appellant] dat het college voor het oprichten van een dakkapel op het perceel Keerstraat 11 een bouwvergunning heeft verleend, waarin is vermeld dat dat bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan is, zodat hij er op mocht vertrouwen dat het voorliggende bouwplan eveneens past binnen het bestemmingsplan.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200705823/1) kan de - in dit geval door [appellant] opgeworpen - vraag of een bouwvergunning van rechtswege is verleend niet worden beantwoord dan na onderzoek door de rechter of zich een weigeringsgrond ingevolge het bestemmingsplan voordoet. De rechter is daarbij niet gebonden aan hetgeen partijen daaromtrent stellen.

2.2.2. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Industrie I".

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften mogen op de gronden, bestemd voor industrie, uitsluitend inrichtingen worden gevestigd, waarop de Hinderwet niet van toepassing is, alsmede die, genoemd in categorie 1, 2, 3 en 4 van de bij deze voorschriften behorende staat, met bijbehorende voorzieningen.

2.2.3. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot de conclusie gekomen dat het wijzigen van de achtergevel en het achterdakvlak van een woning, ten behoeve van het wonen, in strijd is met de bestemming "Industrie I', zodat geen bouwvergunning van rechtswege is verleend.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich niet op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.3.1. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat het bouwplan niet in strijd is met de zogenoemde sneltoetscriteria die op grond van de welstandsnota gelden voor dakkapellen. Volgens [appellant] vertoont het advies van de commissie voor welstand en monumenten van de gemeente Utrecht (hierna: de welstandscommissie) van 10 februari 2009 op dit punt zodanige gebreken, dat het college dit niet aan zijn oordeel ten aanzien van de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. In dit verband betoogt [appellant], onder verwijzing naar een brief van 1 februari 2010 van H. Beenen, architect, (hierna: Beenen) dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan de zogenoemde sneltoetscriteria.

2.3.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.3.1.2. Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 12a van de Woningwet heeft de raad der gemeente Utrecht op 24 juni 2004 een welstandsnota vastgesteld, waarin naast algemene beoordelingscriteria ook zogenoemde sneltoetscriteria zijn opgenomen, onder meer ten aanzien van dakkapellen, (hierna: de welstandsnota).

2.3.1.3. Uit het advies van de welstandscommissie van 10 februari 2009 volgt dat het bouwplan eerst is getoetst aan de zogenoemde sneltoetscriteria die op grond van de welstandsnota gelden voor dakkapellen. Het bouwplan is hiermee in strijd, omdat volgens deze criteria hoge plaatsing van een dakkapel in het dakvlak niet is toegestaan. Vervolgens is het bouwplan aan de algemene beoordelingscriteria getoetst, hetgeen de welstandscommissie heeft geleid tot het standpunt dat het bouwplan met redelijke eisen van welstand in strijd is. Dit standpunt heeft zij als volgt gemotiveerd: "Het bijgebouw heeft een dakschild over twee verdiepingen. De hoge plaatsing (gelijk de plaatsing van de dakkapel in het éénverdiepingshoge dakschild van het hoofdvolume) tast de oorspronkelijke architectuur aan: door beide dakkapellen gelijk te plaatsen wordt de hiërarchie (hoofd- en bijgebouw) ontkend en ontstaat een onevenwichtig beeld (visueel bezwaar, aantasting kapprofiel). Dit beeld wordt nog versterkt door de aankapping uit de nok."

Volgens het besluit van 25 augustus 2009 heeft de welstandscommissie op 10 augustus 2009 een aanvullend advies uitgebracht. Daarin is vermeld dat in het advies van 10 februari 2009 met bijgebouw aanbouw is bedoeld.

2.3.1.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in dit geval mocht afgaan op de adviezen van de welstandscommissie ten aanzien van de zogenoemde sneltoetscriteria. [appellant] heeft weliswaar de brief van Beenen als deskundigenrapport overgelegd, maar in die brief is de stelling dat het bouwplan voldoet aan de zogenoemde sneltoetscriteria niet nader onderbouwd.

Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de welstandsadviezen van 10 februari en 10 augustus 2009 naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoonden dat het college ze niet aan het oordeel omtrent welstand ten grondslag had mogen leggen. Dat in het welstandsadvies van 10 februari 2009 is vermeld dat het bouwplan ziet op het oprichten van een dakkapel op een bijgebouw, geeft geen grond voor een ander oordeel. Zoals hiervoor onder 2.3.1.3 is overwogen, is in het aanvullend welstandsadvies van 10 augustus 2009 vermeld dat in het advies van 10 februari 2009 weliswaar 'bijgebouw' is vermeld, maar dat 'aanbouw' is bedoeld en dat, ervan uitgaande dat dat advies ziet op het plaatsen van een dakkapel op een aanbouw, dit advies onverkort gehandhaafd wordt.

Evenmin grond voor het oordeel dat de wijze van totstandkoming van de welstandsadviezen zodanige gebreken vertoonde dat het college ze niet aan het oordeel omtrent welstand ten grondslag mocht leggen, geeft de omstandigheid dat [appellant] de vergadering van de welstandscommissie niet heeft bijgewoond. Zoals [appellant] desgevraagd ter zitting heeft bevestigd, heeft hij bij het indienen van de bouwaanvraag te kennen gegeven deze te willen toelichten en heeft hij van de welstandscommissie daartoe geen uitnodiging ontvangen. [appellant] heeft evenwel kennis kunnen nemen van het welstandsadvies van 10 februari 2009 en heeft zijn bezwaren over dat advies tijdens de hoorzitting bij de bezwaaradviescommissie naar voren gebracht. Naar aanleiding van deze bezwaren heeft het college de welstandscommissie om aanvullend advies verzocht. Dit advies is eveneens aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd. Onder deze omstandigheden, acht de Afdeling het aannemelijk dat de aanwezigheid van [appellant] bij de vergadering van de welstandscommissie niet tot een andere uitkomst van de besluitvorming zou hebben geleid. Ook overigens is niet gebleken dat [appellant] door zijn afwezigheid bij deze vergadering is benadeeld.

Het betoog faalt.

2.3.2. [appellant] betoogt voorts dat, zo het bouwplan met de zogenoemde sneltoetscriteria in strijd is, de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan ook met de algemene welstandscriteria uit de welstandsnota in strijd is. Volgens [appellant] bestaat tussen het oorspronkelijk deel van de woning en het aangebouwde deel van de woning, op welk deel de dakkapel is voorzien, geen hiërarchie.

2.3.2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in dit geval mocht afgaan op de adviezen van de welstandscommissie ten aanzien van de algemene welstandscriteria. [appellant] heeft weliswaar de brief van Beenen, waarin is vermeld dat de veronderstelling dat de dakkapel is voorzien op een aanbouw discutabel is, als deskundigenrapport overgelegd, maar daarmee is het oordeel van de welstandscommissie dat met het plaatsen van de dakkapel de oorspronkelijke architectuur wordt aangetast en een onevenwichtig beeld ontstaat niet gemotiveerd weerlegd.

Voorts bestaat, zoals hiervoor onder 2.3.1.4 is overwogen, geen grond voor het oordeel dat de welstandsadviezen van 10 februari en 10 augustus 2009 naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoonden dat het college ze niet aan het oordeel omtrent welstand ten grondslag had mogen leggen.

Het betoog faalt.

2.3.3. [appellant] betoogt ten slotte dat soortgelijke dakkapellen, aangebracht aan woningen in de Abraham Keerstraat, wel in overeenstemming met redelijke eisen van welstand zijn geacht.

2.3.3.1. Volgens het besluit van 25 augustus 2009 zijn de door [appellant] bedoelde dakkapellen geplaatst op een hoofdgebouw en niet, zoals de voorliggende dakkapel, op een aanbouw. Reeds daarom is van gelijke gevallen geen sprake.

Het betoog faalt evenzeer.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. De Haseth
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011