Oud-Loosdrecht, woningen en appartementen

Oud-Loosdrecht, woningen en appartementen
Raad van State, 27-4-2011
Bezwaarmaker betoogt dat de welstandscommissie Wijdemeren het bouwplan niet heeft getoetst aan de toepasselijke welstandscriteria. De Raad van State zegt, dat het niet nodig is dat de commissie in het welstandsadvies alle criteria opsomt. Uit het advies blijkt dat de commissie ingaat op ligging, massa en detaillering. Het advies heeft niet zodanige gebreken dat het college er geen besluit op mocht baseren.


LJN: BQ2617, Raad van State , 201009742/1/H1
Datum uitspraak:    27-04-2011
Datum publicatie:    27-04-2011
Rechtsgebied:    Bouwen
Soort procedure:    Hoger beroep
Inhoudsindicatie:    Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college de naamloze vennootschap Fortis Vastgoed Ontwikkeling N.V. (thans: de naamloze vennootschap ASR Vastgoed Ontwikkeling N.V.) vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 34 luxe woningen, 4 appartementen en ongeveer 1030 m² voorzieningen in de gebieden plaatselijk bekend als Ottenhome en Swingboei.
Uitspraak
201009742/1/H1.
Datum uitspraak: 27 april 2011

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellante B] en [appellante C] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2010 in zaken nrs. 09/1286, 09/1651, 09/2145 en 09/1728 in het geding tussen onder meer:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college de naamloze vennootschap Fortis Vastgoed Ontwikkeling N.V. (thans: de naamloze vennootschap ASR Vastgoed Ontwikkeling N.V.) vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 34 luxe woningen, 4 appartementen en ongeveer 1030 m² voorzieningen in de gebieden plaatselijk bekend als Ottenhome en Swingboei.

Bij besluit van 11 maart 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en het primaire besluit, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 3 september 2010, verzonden op 6 september 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en ASR Vastgoed hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam, en ASR Vastgoed, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Tevens zijn verschenen [belanghebbenden].

2. Overwegingen

2.1. ASR Vastgoed heeft voor het bouwplan op 21 december 2005 een bouwaanvraag ingediend. ASR Vastgoed heeft tevens bouwaanvragen ingediend voor het plaatsen van steigers en vlonders en voor het plaatsen van beschoeiing (oevervoorzieningen). Bij afzonderlijke besluiten van 1 juli 2008 heeft het college ten aanzien van alle drie de aanvragen vrijstelling en bouwvergunning verleend.
[appellant] is niet opgekomen tegen de besluiten waarbij vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor het plaatsen van steigers en vlonders en voor het plaatsen van beschoeiing, zodat deze bouwvergunningen in rechte onaantastbaar zijn. In de bouwvergunning voor het plaatsen van oevervoorzieningen is de aanleg van de ondergrond waarop onder meer de woningen zullen worden gerealiseerd en het verleggen van de oeverlijn begrepen. Hetgeen [appellant] daarover heeft aangevoerd, kan derhalve niet meer in de onderhavige procedure aan de orde komen.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Eerste herziening Bestemmingsplan Plassengebied" rust op de gronden waarop het bouwplan is gesitueerd de bestemming "Dorpscentrum".

Ingevolge artikel 5.1 (doeleinden) van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor detailhandel (winkels) en aanverwante dienstverlening, horeca, sportieve recreatie, licht industriële en ambachtelijke bedrijven, als bedoeld in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Inrichtingen, kantoren, maatschappelijke voorzieningen, wonen, alsmede voor verkeer en parkeren, groen- en speelvoorzieningen, water, doeleinden van openbaar nut en geluidbeperkende voorzieningen.

Ingevolge artikel 5.2, aanhef en onder b (beschrijving in hoofdlijnen), voor zover thans van belang, kan de wijze waarop met het plan de doeleinden worden nagestreefd in hoofdlijnen als volgt worden beschreven:

b. de ruimtelijke en functionele karakteristiek van het centrum van Oud-Loosdrecht kent functioneel de volgende kenmerken:

- Oud-Loosdrecht is een watersportkern met een verscheidenheid en vervlechting van functies en activiteiten, die vooral uit de watersport voortvloeien;

- de woonfunctie is ondergeschikt aan de centrumfuncties: woningbouw vervult een afgeleide en ondersteunende functie voor toeristisch-recreatieve voorzieningen.

Ingevolge artikel 5.5, aanhef en onder a, zijn op de als "Dorpscentrum" aangewezen gronden toegelaten gebouwen: (hoofd)gebouwen ten dienste van het wonen in vrijstaande of aaneengebouwde woningen, al of niet gestapeld, de detailhandel en aanverwante dienstverlening, de horeca, de sportieve recreatie, licht industriële en ambachtelijke bedrijven, bedrijven ten behoeve van de zakelijke dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 5.6, aanhef en onder a moeten de in artikel 5.5 omschreven gebouwde centrumvoorzieningen aan de volgende bepaling voldoen:

a. uitbreiding van het aantal woningen mag alleen plaatsvinden in samenhang met het realiseren van centrumvoorzieningen, waarbij minimaal 50% van de grondoppervlakte bestemd moet zijn voor centrumvoorzieningen.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de drie op 1 juli 2008 verleende bouwvergunningen onlosmakelijk bij elkaar horen en als één ondeelbare bouwvergunning moeten worden aangemerkt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen verzet geen rechtsregel zich ertegen dat het bouwplan is vergund door middel van verschillende, elkaar aanvullende bouwvergunningen.

2.4. [appellant] betoogt dat het oordeel van de rechtbank over het standpunt van het college met betrekking tot de verleende vrijstellingen in rechte niet kan standhouden, nu zij is uitgegaan van verkeerde veronderstellingen over de geldende planologische situatie.

2.4.1. Hoewel [appellant] terecht betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat ingevolge artikel 15 van de planvoorschriften op de gronden waarop het bouwplan zal worden gesitueerd de bestemming "WK, woon- en kantoordoeleinden" rust, moet dit worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving. De rechtbank heeft immers vervolgens overwogen dat het bouwplan is gesitueerd op gronden met de bestemming "Dorpscentrum". Dat zij daarbij voorts heeft vermeld dat deze bestemming is opgenomen in het provinciaal streekplan moet eveneens als een verschrijving worden aangemerkt. Het betoog faalt dan ook.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college weliswaar vrijstelling van artikel 5.6, aanhef en onder a, van de planvoorschriften heeft verleend omdat het bouwplan niet voldoet aan het vereiste dat minimaal 50% van het grondoppervlakte bestemd moet zijn voor centrumvoorzieningen, maar dat het college heeft miskend dat het bouwplan evenmin voldoet aan het vereiste in dat artikel dat slechts woningbouw is toegestaan, indien daarbij nieuwe centrumvoorzieningen worden gebouwd waaraan de woningbouw in ruimtelijke zin ondergeschikt dient te zijn.

2.5.1. Uit artikel 5.6, aanhef en onder a, van de planvoorschriften kan, anders dan [appellant] betoogt, niet worden afgeleid dat bij de realisering van een bouwplan het totale oppervlakte aan centrumvoorzieningen binnen het plangebied dient toe te nemen. Uit dit artikel blijkt slechts dat een bouwplan waarbij het aantal woningen in het plangebied wordt uitgebreid ook de realisering van centrumvoorzieningen dient te omvatten.

Evenmin kan uit voormeld artikel worden afgeleid dat de nieuwe woningen in ruimtelijke zin ondergeschikt dienen te zijn aan de centrumvoorzieningen. In voormeld artikel wordt immers uitgegaan van de berekening van de grondoppervlakte. Omdat in dit bouwplan tussen de oppervlakte van de woningbouw en van de centrumvoorzieningen een verhouding bestaat van 61:39 heeft het college op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van artikel 5.6, aanhef en onder a, van de planvoorschriften verleend. Nu [appellant] voorts niet gemotiveerd heeft toegelicht waarom het college in zoverre in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen, faalt het betoog.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft kunnen leggen aan de verleende vrijstelling. Hij voert daartoe aan dat in de ruimtelijke onderbouwing niet is onderbouwd op welke manier met het bouwplan het water dichter bij de dijk wordt gebracht en de bouw van woningen het dorpscentrum revitaliseert en naar een hoger kwaliteitsniveau wordt getild.

2.6.1. De ruimtelijke onderbouwing is neergelegd in de notitie "Ruimtelijke onderbouwing Ottenhome/Swingboei Oud Loosdrecht" van SAB Amsterdam. In paragraaf 3.2 van deze notitie is ten aanzien van de locatie Ottenhome vermeld dat het uitgangspunt voor het stedenbouwkundig plan van dat gebied is het herstellen van de (zicht)relatie met het water. Deze relatie wordt onder meer versterkt door de aanleg van een nieuwe haven, met circa 85 publieke ligplaatsen. Voor de aanleg van de haven wordt deels bestaande bebouwing gesloopt, zodat direct aan de dijk de haven gerealiseerd kan worden. Langs het nieuw op te richten clubgebouw loopt een weg om de woningen op de landtong te realiseren. De richting van de landtong is afgeleid van het oude verkavelingpatroon in Oud-Loosdrecht.

In paragraaf 3.3 is ten aanzien van de locatie Swingboei vermeld dat de nieuw te realiseren woningen dezelfde vorm hebben als de woningen aan de overzijde van de weg. Het water is doorgetrokken tot aan de dijk om 'het water naar de Loosdrechtse Dijk te brengen'.

In paragraaf 5.3 is ingegaan op de ruimtelijke structuur en de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het Plassengebied, zoals omschreven in de toelichting op het bestemmingsplan. Daaruit blijkt onder meer dat de bebouwingsdichtheid van de kern Oud-Loosdrecht relatief hoog is. Aangezien de Oud-Loosdrechtsedijk aan beide zijden ligt ingeklemd tussen water en natuurgebieden is grond een schaars artikel en zijn de bebouwingsmogelijkheden beperkt. Daarom zullen nieuwe initiatieven vaak moeten worden gerealiseerd door sloop en nieuwbouw (herontwikkeling), zo nodig met aanpassingen van de huidige oeverlijn. Met name binnen de zone dorpscentrum moet een wijziging (en verbetering) van de ruimtelijke structuur door het realiseren van nieuwe projecten mogelijk zijn. Oud-Loosdrecht moet zich aan de bewoners en bezoekers weer presenteren als streekeigen watersportkern in het groen en aan het water gelegen. In de notitie wordt concluderend opgemerkt dat het beleid van de gemeente erop is gericht de Oud-Loosdrechtsedijk te herstructureren en dat de vervangende nieuwbouw voor Ottenhome en Swingboei zeer goed past binnen dit beleid.

2.6.2. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding voor het oordeel dat in de ruimtelijke onderbouwing niet gemotiveerd is op welke manier met het bouwplan het water dichter bij de dijk wordt gebracht en de bouw van woningen het dorpscentrum revitaliseert en naar een hoger kwaliteitsniveau wordt getild. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de motivering in zoverre voldoende is voor het verlenen van de vrijstelling. Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich in zijn besluit ten onrechte heeft gebaseerd op de verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten en de herziening van het streekplan van provinciale staten.

Niet is gebleken dat, zoals [appellant] betoogt, het college onjuiste informatie heeft verschaft aan het college van gedeputeerde staten en provinciale staten. De enkele stelling dat zij zich het uitzonderlijke karakter van de ontwikkelingen in Ottenhome en Swingboei niet hebben gerealiseerd, is niet voldoende om tot het oordeel te komen dat het college zich in zijn besluit ten onrechte heeft gebaseerd op de verklaring van geen bezwaar en de herziening van het streekplan. Het betoog van [appellant] dat ten behoeve van de aanpassing van de ligging van de rode contour in de herziening van het streekplan ten onrechte geen beeldkwaliteitsplan is opgesteld, kan evenmin leiden tot het oordeel dat het college niet van de herziening van het streekplan heeft mogen uitgaan. In het streekplan noch in de partiële herziening daarvan kan immers steun worden gevonden voor het oordeel dat voor de aanpassing van de ligging van de rode contour een dergelijk beeldkwaliteitsplan moet worden opgesteld. [appellant] heeft voor het overige, hoewel hij die mogelijkheid daartoe wel heeft gehad, geen gronden aangevoerd, op grond waarvan tot het oordeel zou moeten worden gekomen dat het college bij het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning zich niet had mogen baseren op de herziening van het streekplan.

2.8. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de jurisprudentie dat geen blijvend recht op uitzicht bestaat niet van betekenis is bij het nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van planschade, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft slechts overwogen dat [appellant], indien hij van mening is dat hij financiële schade lijdt als gevolg van het verlies van uitzicht, zich tot het college kan wenden met een verzoek hem een tegemoetkoming toe te kennen in de gestelde planschade. Met dit oordeel kan de Afdeling zich verenigen.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat financiële schade niet buiten de omvang van het geschil valt, maar in de belangenafweging moet worden betrokken, mist eveneens feitelijke grondslag. De rechtbank heeft de stelling van [appellant] dat hij financiële schade lijdt, betrokken bij haar beoordeling en in dat verband overwogen dat [appellant] zijn stelling niet met stukken heeft onderbouwd.

2.9. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat het verlies van uitzicht een zodanig onevenredige aantasting is van het woongenot van [appellant] dat het college niet in redelijkheid tot verlening van de vrijstelling heeft kunnen komen. Hij voert daartoe aan de rechtbank hierbij ten onrechte heeft betrokken dat volgens vaste jurisprudentie geen blijvend recht op uitzicht bestaat. Volgens [appellant] had hij geen rekening hoeven te houden met een ontwikkeling als de onderhavige waar een deel van een recreatieplas zal worden gebruikt voor woningbouw.

2.9.1. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van 21 januari 2008, op het standpunt gesteld dat, voor zover er sprake is van vermindering van het uitzicht, dit belang is afgewogen tegen het belang van herstructurering van het dorpscentrum. Volgens het college brengt deze vermindering geen onevenredige aantasting van het woongenot met zich en weegt het algemeen belang van het project op tegen het individuele belang van [appellant] bij het volledige behoud van zijn uitzicht.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat weliswaar is gebleken dat sprake is van enige beperking van uitzicht als gevolg van het bouwplan, maar dat deze niet dusdanig onevenredig is dat het college op grond daarvan niet in redelijkheid tot het verlenen van de vrijstelling kon komen. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat, zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, geen blijvend recht op uitzicht bestaat. Dat, zoals [appellant] betoogt, hij uitzicht op water heeft en hij er geen rekening mee hoefde te houden dat een deel van de plassen zou worden gebruikt voor woningbouw, maakt dit niet anders. Hierbij is van belang dat het bestemmingsplan mogelijkheden biedt om de oeverlijn te verleggen ten behoeve van landaanwinning. Het betoog faalt.

2.10. [appellant] betoogt dat de rechtbank met betrekking tot zijn betoog over de bereikbaarheid van zijn woning over het water ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat het college een ondeugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Hij voert aan dat de rechtbank hierbij niet heeft onderkend dat de door het college gegarandeerde breedte van 12 meter minus de breedte van afgemeerde boten van de bewoners van de te bouwen huizen, niet voldoende is om zijn haven te bereiken en het keren van boten ten gevolge van het bouwplan onmogelijk wordt, waardoor zijn haven onbruikbaar wordt.

2.10.1. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, op het standpunt gesteld dat weliswaar de mogelijkheid voor [appellant] om voor zijn aanlegsteiger te keren wordt beperkt, maar dat buiten dat de bereikbaarheid en het gebruik van de aanlegsteigers door het bouwplan niet wordt beperkt. Het college heeft dan ook geen aanleiding hierom gezien de vrijstelling te weigeren.

De rechtbank heeft overwogen dat de toegang tot de haven van [appellant] is gewaarborgd, nu het college onbetwist heeft gesteld dat een doorgang van 12 meter breed, minus de breedte van afgemeerde boten van de bewoners van de te bouwen huizen, wordt gegarandeerd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de toegang van de haven van [appellant] gewaarborgd is.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de omstandigheid dat er minder openbaar vaarwater voor de haven van [appellant] beschikbaar zal zijn, waardoor het keren van een boot minder eenvoudig is, niet maakt dat het college in zoverre niet in redelijkheid tot het verlenen van vrijstelling heeft kunnen overgaan. Zij heeft daarbij betrokken dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik van een boot hem onmogelijk wordt gemaakt. Weliswaar is ter zitting van de Afdeling gebleken dat het keren van de boot van [appellant] ten gevolge van het bouwplan niet langer mogelijk is, maar door [appellant] is niet aannemelijk dat daarmee het gebruik van de boot onmogelijk wordt gemaakt. Gelet hierop heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college in redelijkheid van het verlenen van vrijstelling had moeten afzien.

2.11. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Welstandsnota van toepassing is op het bouwplan. Hij voert daartoe aan dat sprake is van een herontwikkelingsproject, dat door het bouwplan de bestaande ruimtelijke structuur wordt doorbroken en dat het bestaande gebruik wordt gewijzigd, hetgeen juist de aspecten zijn waar hoofdstuk 6 op ziet.

2.11.1. Hoofdstuk 4 van de welstandsnota Wijdemeren bevat het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Wijdemeren. In hoofdstuk 6 is vermeld dat de welstandsnota geen welstandscriteria bevat voor (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Bij herontwikkelingsprojecten moet gedacht worden aan inbreilocaties of uitbreidingslocaties waarbij het bestaande gebruik wordt gewijzigd dan wel uitgebreid.

Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet is te karakteriseren als een herontwikkelingsproject, als bedoeld in hoofdstuk 6 van de welstandsnota. Op de gronden waarop het bouwplan is gesitueerd, rust de bestemming "Dorpscentrum". De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor onder meer commerciële voorzieningen en wonen. Van een in voormeld hoofdstuk bedoelde doorbreking van de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek is dan ook geen sprake is.

2.12. [appellant] betoogt dat, zo al moet worden getoetst aan hoofdstuk 4 van de welstandsnota, de rechtbank heeft miskend dat uit het welstandsadvies van 2 november 2005 niet blijkt dat de welstandscommissie Wijdemeren aan de in de welstandsnota vermelde criteria heeft getoetst, zodat het college dit advies niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.12.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het bestuursorgaan, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bestuursorgaan dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het bestuursorgaan in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

In hoofdstuk 4 van de welstandsnota zijn ten aanzien van gebied 5 Kern Oud-Loosdrecht criteria opgenomen met betrekking tot de ligging, massa, architectonische uitwerking en materiaal- en kleurgebruik.

Dat de welstandscommissie in het advies niet alle criteria heeft opgesomd en nadrukkelijk heeft aangegeven dat daaraan wordt voldaan, maakt niet dat daarom het advies zodanige gebreken vertoont dat het college het daarom niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Uit het advies blijkt dat de welstandscommissie is ingegaan op de ligging van het bouwplan, de massa van de bebouwing en de detaillering. Nu [appellant] voorts geen advies heeft overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie en evenmin gemotiveerd heeft aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college het welstandsadvies niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.13. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij hem niet volgt in zijn betoog dat sprake was van vooringenomenheid aan de zijde van het college. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bestaan van een overeenkomst tussen het college en ASR Vastgoed over de herontwikkeling van het de gebieden Ottenhome en Swingboei, de besluitvorming door het college heeft beïnvloed. In de overeenkomst is een inspanningsverplichting, en geen resultaatsverplichting, voor de gemeente opgenomen dat publiekrechtelijke medewerking, benodigd voor de realisering van het plan, voorhanden zal zijn. Daarbij is de bepaald dat de gemeente haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid behoudt, hetgeen met zich brengt dat de gemeente tegenover ASR Vastgoed geen wanprestatie zal plegen, indien inspraakreacties, bedenkingen, zienswijzen, bezwaren, standpunten van andere overheden of van de rechter ertoe nopen dat de publiekrechtelijke medewerking (alsnog) niet wordt verleend dan wel alsnog wordt geweigerd.

2.14. Hetgeen voor het overige in het hogerberoepschrift, de nadere stukken en ter zitting van de Afdeling is aangevoerd, heeft [appellant] niet eerder aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze gronden niet reeds in beroep konden worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.

2.15. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Pieters
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011