Bergen op Zoom, Algemene Criteria voor bibliotheek in centrum

Bergen op Zoom, Algemene Criteria voor bibliotheek in centrum
Raad van State, 20-4-2011
De Welstandscommissie heeft zijn beoordeling van de gevel van de nieuwe bibliotheek niet gebaseerd op gebiedsgerichte of objecte criteria, maar op de algemene welstandscriteria. Die mogen worden gebruikt, wanneer de objectgerichte en gebiedsgerichte criteria ontoereikend zijn om het plan te kunnen beoordelen.
De Vereniging Binnenstad Bergen op Zoom betwist dat de 'gewone' criteria ontoereikend zouden zijn, en beweert dat op grond van deze criteria het plan had moeten worden afgewezen.
Volgens de Raad van State zijn de gewone criteria bedoeld om het 'puienbeleid' voor winkelpuien in de binnenstad uit te voeren. Een bibliotheek is echter geen winkel, en komt zo weinig voor, dat het niet verwonderlijk is dat in de welstandsnota geen aparte criteria voor dit soort gebouwen te vinden zijn. Gebruik van de Algemene Criteria was dus terecht.

LJN: BQ1856, Raad van State , 201008797/1/H1
Datum uitspraak:    20-04-2011
Datum publicatie:    20-04-2011
Rechtsgebied:    Bestuursrecht overig
Soort procedure:    Hoger beroep
Inhoudsindicatie:    Bij besluit van 4 januari 2010 heeft het college aan Stichting Basisbibliotheken Het Markiezaat (hierna: Het Markiezaat) een vergunning krachtens artikel 10 van de Monumentenverordening van de gemeente Bergen op Zoom 2006 verleend in verband met het wijzigen van een voorgevel ten behoeve van een bibliotheek.
Uitspraak
201008797/1/H1.
Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging Binnenstad Bergen Op Zoom, gevestigd te Bergen op Zoom,
appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 28 juli 2010 in zaken nrs. 10/2393 en 10/2394 in het geding tussen:

de vereniging

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2010 heeft het college aan Stichting Basisbibliotheken Het Markiezaat (hierna: Het Markiezaat) een vergunning krachtens artikel 10 van de Monumentenverordening van de gemeente Bergen op Zoom 2006 verleend in verband met het wijzigen van een voorgevel ten behoeve van een bibliotheek.

Bij besluit van 24 februari 2010 heeft het college aan Het Markiezaat reguliere bouwvergunning verleend voor het wijzigingen van een voorgevel ten behoeve van een bibliotheek.

Bij besluit van 28 mei 2010 heeft het college het door de Vereniging Binnenstad Bergen op Zoom (hierna: de vereniging) tegen het besluit van 4 januari 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het door haar tegen het besluit van 24 februari 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanpassing van de verwijzing daarin naar het welstandsadvies en onder aanvulling van de motivering.

Bij besluit van 8 juli 2010 heeft het college het besluit van 28 mei 2010 aangevuld door afwijzend te beslissen op het door de vereniging ingediende verzoek tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaarschrift gemaakte proceskosten.

Bij uitspraak van 28 juli 2010, verzonden op 29 juli 2010, heeft de voorzieningenrechter onder meer het door de vereniging daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Het Markiezaat een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2011, waar de vereniging, vertegenwoordigd door mr. S.C.M. Asselbergs, advocaat te Bergen op Zoom en [voorzitter] van de vereniging, en het college, vertegenwoordigd door E.J.P. Koster, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar Het Markiezaat, vertegenwoordigd door mr. G.H. Smits en N. Nanninga, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Anders dan het college heeft betoogd, oordeelt de Afdeling dat de vereniging belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep, nu zij ter zitting heeft verklaard niet slechts een principiële uitspraak te wensen, doch ervan uit te gaan dat na een eventuele vernietiging van het besluit van 28 mei 2010, de voorgevel kan worden aangepast.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder a, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

2.3. De vereniging betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college de adviezen van de WelstandMonumentenCommissie (hierna: WMC) van 25 januari 2010 en 6 april 2010, in onderlinge samenhang bezien, ten grondslag mocht leggen aan zijn oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Ten onrechte heeft het college zijn conclusie dat de in de Welstandsnota van de gemeente Bergen op Zoom opgenomen gebiedsgerichte en objectgerichte criteria ontoereikend zijn om het bouwplan te kunnen beoordelen, gebaseerd op de omstandigheid dat de bibliotheek een openbare functie heeft. Omdat deze criteria wel toereikend zijn, moest het college deze toepassen, en mocht het geen toepassing geven aan de in de Welstandsnota opgenomen hardheidsclausule, aldus de vereniging.

2.3.1. De Welstandsnota vermeldt dat wanneer de daarin opgenomen gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, het nodig kan zijn dat de WMC afwijkt van deze criteria. De WMC kan hiertoe besluiten op basis van een gemotiveerd positief welstandsadvies in het geval van een bouwplan dat weliswaar strijdig is met enige welstandscriteria, maar niet met redelijke eisen van welstand. Dit laatste dient te worden beoordeeld aan de hand van de eveneens in de Welstandsnota opgenomen algemene welstandscriteria.

2.3.2. Vaststaat dat het bouwplan, vanwege de breedte van de deuropening en het ontbreken van een borstwering, in strijd is met het zogeheten puienbeleid ten behoeve van de binnenstad, dat is neergelegd in de Welstandsnota en het Beeldkwaliteitplan binnenstad.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het puienbeleid is toegesneden op de gevels van winkels, die in de binnenstad veelvuldig voorkomen. Voor weinig voorkomende objecten, zoals een bibliotheek, bevat de welstandsnota geen specifieke criteria. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het college tot de conclusie kon komen dat een bibliotheek, door haar specifieke publieksgerichte karakter, niet aan een winkel kan worden gelijkgesteld. Gelet hierop heeft hij tevens terecht overwogen dat het college in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat de objectgerichte en gebiedsgerichte welstandscriteria niet toereikend zijn om het bouwplan te kunnen beoordelen, waardoor het diende te worden getoetst aan de algemene welstandscriteria. Dat, zoals de vereniging betoogt, de objectgerichte en gebiedsgerichte welstandscriteria evenmin toereikend zijn voor andere objecten, leidt niet tot een andere conclusie, nu ieder bouwplan op zichzelf dient te worden beoordeeld.

Het betoog faalt.

2.4. Hetgeen de vereniging voor het overige heeft aangevoerd ten aanzien van de welstandstoetsing, alsook haar betoog dat het besluit van het college van 4 januari 2010 ter verlening van een vergunning krachtens artikel 10 van de Monumentenverordening onzorgvuldig tot stand is gekomen, zijn een herhaling van hetgeen zij in beroep heeft betoogd. De voorzieningenrechter heeft deze beroepsgronden beoordeeld. Nu de vereniging niet heeft onderbouwd waarom de desbetreffende overwegingen van de voorzieningenrechter onjuist, dan wel onvolledig zijn, leiden de betogen in zoverre niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.5. De grond dat het college het gelijkheidsbeginsel zou hebben geschonden, omdat het in situaties die volgens de vereniging vergelijkbaar zijn met de thans aan de orde zijnde situatie, anders heeft gehandeld dan ten aanzien van het bouwplan, brengt zij voor het eerst ter zitting naar voren. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en appellant dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011