Naarden, steigerdoekreclame op bedrijventerrein

Rechtbank Amsterdam, uitspraak 29-3-2011, publicatie 6-6-2011
De reclame is volgens de welstandscommissie in strijd met de sneltoetscriteria voor reclameuitingen aan de gevel op bedrijventerreinen van de gemeente Naarden.
De rechtbank onderzoekt in een uitputtende en zorgvuldige uitspraak hoe de welstandscommissie tot dat oordeel is gekomen, of er in de omgeving precedenten zijn die tot legalisering zouden moeten leiden, en concludeert tenslotte dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en de bouwvergunning op grond daarvan geweigerd kon worden.
De rechtbank herhaalt nogmaals dat de aluminium buizenconstructie en de reclameuitsing samen het bouwwerk vormen; de welstandscommissie maakt geen bezwaar tegen kleur en vormgeving van de reclameuitzing zelf (hoewel het wel een rol speelt), want binnen het frame kan het doek gewisseld worden, maar tegen de totale reclame-constructie.


LJN: BQ7127, Rechtbank Amsterdam , AWB 09/5252 WW44
Datum uitspraak:    29-03-2011
Datum publicatie:    06-06-2011
Rechtsgebied:    Bouwen
Soort procedure:    Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie:    Weigering om bouwvergunning te verlenen voor een reclame-uiting en last onder dwangsom ter verwijdering van twee reclame-uitingen. De reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.”, waarvoor bouwvergunning is gevraagd, maakt onderdeel uit van het bouwwerk. Verweerder diende in dit geval, gezien de aanvraag, alleen de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” mede in aanmerking te nemen bij de beschouwing van de uitstraling van het bouwwerk, bezien vanuit het oogpunt van welstand, hetgeen verweerder ook heeft gedaan. Verweerder heeft de bouwvergunning terecht geweigerd omdat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er voor de twee andere reclame-uitingen geen concreet zicht op legalisatie bestond en dat een last onder dwangsom diende te worden opgelegd. Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 09/5252 WW44


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde mr. D. Roesink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Naarden,
verweerder,
gemachtigde S.A.D. Saffrie


Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2009 (het primaire besluit I) heeft verweerder geweigerd om aan eiser een bouwvergunning te verlenen voor de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” aan de gevel van het pand gelegen op het perceel Rijksweg 75 te Naarden (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 maart 2009 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot los van de gevel op het perceel aanwezige reclame-uitingen.

Bij besluit van 14 oktober 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [vertegenwoordiger 1].


Overwegingen

1.  De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.  Eiser heeft op 2 september 2008 een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor een reeds opgericht bouwwerk met de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” aan de gevel van zijn pand op het perceel. De Welstandscommissie Naarden (de welstandscommissie) heeft hierover negatief geadviseerd, waarop verweerder in aansluiting op dit advies bij het primaire besluit I de gevraagde bouwvergunning heeft geweigerd.

1.2.  Bij het primaire besluit II heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot op het perceel (los van de gevel) aanwezige reclame-uitingen.

1.3.  Bij uitspraak van 9 juni 2009 (AWB 09/1631 GEMWT) heeft de voorzieningenrechter het door eiser in samenhang met zijn tegen het primaire besluit II gemaakte bezwaar ingediende verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit II geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

1.4.  Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd. Verweerder heeft ten aanzien van het primaire besluit I - kort samengevat - overwogen dat de weigering om bouwvergunning voor de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” te verlenen, wordt gehandhaafd, omdat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Nu het een reclame-uiting aan de gevel betreft, zijn de “sneltoetscriteria voor reclame-uitingen aan de gevel op bedrijfsterreinen” van toepassing, zoals vermeld op pagina 94 van de Welstandsnota Naarden (hierna: de welstandsnota). Volgens verweerder heeft de welstandscommissie deugdelijk gemotiveerd waarom deze constructie met reclame-uiting, gezien de vormgeving en de kleur ervan, in strijd is met de sneltoetscriteria en waarom geen positief advies wordt gegeven. Verweerder heeft ten aanzien van de last onder dwangsom overwogen dat deze wordt gehandhaafd, met uitzondering van de passage ten aanzien van de reclame-uitingen “De Witte toren” en “Dakspecialist Naarden B.V.”, omdat de oplegging van de last onder dwangsom niet van toepassing is op deze reclame-uitingen. Daarmee ziet de last alleen op de bouwwerken met de reclame-uitingen “Ruiter Dakkapel” en “Burger King”. Ten aanzien van het door eiser gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder gemotiveerd toegelicht waarom de besluiten hiermee niet in strijd zijn.

1.5.  Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft verweerder de begunstigingstermijn van de gehandhaafde last verlengd tot en met zes weken na verzending van de uitspraak in deze procedure.

2.  Ten aanzien van de geweigerde bouwvergunning voor de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” overweegt de rechtbank als volgt.

2.1.  Uit het advies van de welstandscommissie, de zich in het dossier bevindende foto’s van de reclame-uiting en het verhandelde ter zitting, leidt de rechtbank af dat het hier gaat om een aluminium buisconstructie op palen, vlak voor de gevel van het pand geplaatst en aan de gevel vastgeschroefd, waarin een reclame-uiting (op doek) is bevestigd.

2.2.  Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat met het aanvragen van een bouwvergunning voor de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” is beoogd een vergunning voor wisselende reclame-uitingen op die plek te verkrijgen, dat de aanvraag geen betrekking heeft op de reclame-uitingen zelf en dat de bouwvergunning aldus slechts ziet op de aluminium buisconstructie, waarbinnen de (wisselende) reclame-uitingen kunnen worden aangebracht. Gelet hierop is eiser van mening dat hij, ondanks dat hij de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” inmiddels al heeft vervangen door een andere, nog procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep op dit punt.

2.3.  Niet in geschil is dat de aluminium buisconstructie moet worden aangemerkt als een bouwwerk in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Woningwet, voor de oprichting waarvan een bouwvergunning is vereist. In geschil is of de reclame-uiting onderdeel van het bouwwerk uitmaakt of dat het bouwwerk slechts uit de aluminium buisconstructie bestaat, waarin (al dan niet wisselende) reclame-uitingen kunnen worden opgehangen. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2006 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: AV0275) en van 19 november 2008 (LJN: BG4740), dat geen onderscheid moet worden gemaakt tussen de buisconstructie en de reclame-uitingen die daarin kunnen worden opgehangen, nu de buisconstructie ruimte biedt voor die uitingen, zodat de invulling van de buisconstructie mede in aanmerking moet worden genomen bij de beschouwing van de uitstraling ervan bezien vanuit het oogpunt van welstand. Gezien het voorgaande wordt eiser niet in zijn stelling gevolgd dat alleen de constructie waarbinnen de reclame-uitingen worden opgehangen, onderdeel uitmaakt van het bouwwerk.

2.4.  Ten aanzien van de vraag of wisselende reclame-uitingen of alleen de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” onderdeel uitmaken/uitmaakt van het bouwwerk waarvoor vergunning is gevraagd, overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft gesteld dat ervan moet worden uitgegaan dat alleen de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” daarvan onderdeel uitmaakt. De rechtbank acht hiertoe van belang dat eiser, blijkens het aanvraagformulier, bouwvergunning heeft aangevraagd voor het plaatsen van een metalen buisconstructie tegen de gevel met daarin de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.”. Uit de aanvraag blijkt niet dat bedoeld is om ook voor andere, wisselende reclame-uitingen bouwvergunning aan te vragen. De rechtbank ziet aanleiding om de aanvraag in dit verband doorslaggevend te achten. Gelet hierop diende alleen de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” mede in aanmerking te worden genomen bij de beschouwing van de uitstraling van het bouwwerk, bezien vanuit het oogpunt van welstand, hetgeen verweerder ook heeft gedaan. In de enkele omstandigheid dat deze reclame-uiting thans is vervangen door een andere, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te concluderen dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het door hem ingestelde beroep, reeds omdat niet is uitgesloten dat eiser opnieuw een contract met betrekking tot de eerdere reclame-uiting aangaat om die opnieuw op te hangen.

2.5.  Niet in geschil is dat het perceel van eiser kan worden aangemerkt als een bedrijfsterrein. Voor reclame-uitingen aan de gevel op bedrijfsterreinen geldt (blijkens pagina 94 van de welstandnota, die de raad van de gemeente Naarden, gezien het bepaalde in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, op 22 april 2004 heeft vastgesteld) dat deze in elk geval aan redelijke eisen van welstand voldoen als wordt voldaan aan onderstaande criteria:
  Maat en plaats
1.  Reclame-uitingen op bedrijfspanden harmonieert met de architectuur van het pand;
2.  Reclame-uitingen aan de randen grenzen aan het veenweidegebied en/of beschermd gezicht belemmeren het uitzicht niet;
  Architectonische uitwerking
3.  Reclame-uitingen aan de randen grenzend aan het veenweidegebied en/of beschermd gezicht zijn terughoudend en zorgvuldig vormgegeven;
  Overig
4.  de reclame-uiting is niet in strijd met de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria.
In hoofdstuk 4 van de welstandsnota zijn gebiedsgerichte criteria geformuleerd, waarbij per gebied onder meer is aangegeven wat de karakteristieken zijn en wat de gebiedscriteria zijn. Het perceel van eiser is volgens de gebiedsindelingskaart (pagina 24 van de welstandsnota) gelegen in het gebied “veenweidegebied”, gebied 14. Op pagina 54 is vermeld dat voor het veenweidegebied met de historische structuur en de overwegend gevarieerde bebouwing langs de lint- en dijkwegen een regulier welstandsniveau geldt. Er zal onder meer beoordeeld worden op de ligging in het landschap en een passend terughoudend kleurgebruik.

2.6.  Blijkens het uitgebrachte advies van 14 januari 2009 is de welstandscommissie van oordeel dat het bouwwerk in strijd is met de hiervoor genoemde sneltoetscriteria 1, 3 en 4. Ten aanzien van de criteria 1. en 3. heeft de welstandscommissie overwogen dat het bouwwerk/de reclame-uiting niet harmonieert met de architectuur van het pand, omdat het bouwwerk een standaard buisconstructie betreft die op palen vlak voor de gevel is geplaatst en daaraan is vastgeschroefd. Ten aanzien van het criterium 4. heeft de welstandscommissie overwogen dat er qua ligging niets verandert, omdat het bouwwerk aan het pand vastzit, maar dat qua kleurgebruik de kleur blauw niet passend in het landschap is. De welstandscommissie heeft geen aanleiding gezien om in afwijking van deze criteria een positief welstandsadvies voor het bouwplan te geven.

2.7.  Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het welstandsadvies ondeugdelijk is gemotiveerd. Hij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat voor hem niet duidelijk is waarom de kleuren van de reclame-uiting niet in het landschap zouden passen. Eiser heeft in dit verband gesteld dat bij de welstandstoets de huidige omgeving van het perceel (bedrijfsterrein) onvoldoende is betrokken. Voorts is eiser niet duidelijk geworden wat de welstandscommissie onder veenweidegebied verstaat en waarom het perceel als veenweidegebied moeten worden aangemerkt.

2.8.  Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 januari 2011, LJN: BP0562) overweegt de rechtbank dat verweerder, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies van de welstandscommissie in beginsel doorslaggevende betekenis kan toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

2.9.  De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om te oordelen dat het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat verweerder dit niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag had mogen leggen. De welstandcommissie heeft terecht aan de sneltoetscriteria voor reclame-uitingen aan de gevel op bedrijfsterreinen getoetst en heeft hierbij terecht ook acht geslagen op de voor het veenweidegebied geldende gebiedscriteria, gezien de ligging van het pand op de gebiedsindelingskaart, te weten in en aan de rand van het “veenweidegebied”, gebied 14. De vaststelling dat eisers perceel een bedrijfsterrein is, neemt niet weg dat dit terrein volgens de gebiedsindelingskaart gelegen is in het “veenweidegebied”. Dat eiser om verschillende redenen van mening is dat de omgeving, waarin het perceel gelegen is, niet kan worden aangemerkt als een veenweidegebied, doet hier niet aan af. De vraag of het perceel al dan niet binnen of buiten de bebouwde kom is gelegen, is, anders dan eiser heeft gesteld, in dit verband evenmin relevant. Nu aan de criteria voor ‘reclame-uitingen aan de gevel op bedrijfsterreinen’ is getoetst, is anders dan eiser heeft betoogd, ook aandacht besteed aan het feit dat het perceel een bedrijfsterrein is. Eiser heeft verder niet met een deskundigenbericht onderbouwd dan wel anderszins aannemelijk gemaakt, dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

2.10.  Ten aanzien van eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat eiser verschillende foto’s heeft overgelegd van verschillende reclame-uitingen uit de buurt. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien waarom die uitingen, die daar kennelijk wel aanwezig mogen zijn, wel in overeenstemming zijn met de redelijke eisen van welstand en de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” niet, terwijl bij die andere reclame-uitingen bijvoorbeeld vaak nog fellere kleuren te onderscheiden zijn.

2.10.1.  De rechtbank stelt vast dat slechts enkele van de door eiser overgelegde foto’s betrekking hebben op reclame-uitingen aan de gevel (zie bijlagen 1-4 (verschillende uitingen op de witte toren), bijlagen 12-13 (“Mobi Safe” en het daaronder geplaatste “DPM”), bijlage 15 (“De Luit”) bij het aanvullend bezwaarschrift, bijlagen 31-33 bij het beroepschrift (“TB Design”, “Meetingselect” en “MCC”) en een foto van de reclame-uiting “De Witte Toren”). De overige foto’s zien op reclame-uitingen los van de gevel. Laatstgenoemde reclame-uitingen dienen bij de beoordeling van het beroep op het gelijkheidsbeginsel ter zake van de weigering om bouwvergunning te verlenen voor de reclame-uiting “Dakspecialist Naarden B.V.” buiten beschouwing te blijven, nu dit een reclame-uiting aan de gevel betreft, waarvoor andere criteria gelden.

2.10.2.  Ten aanzien van eerstgenoemde reclame-uitingen (op de witte toren) overweegt de rechtbank dat die toren is gelegen op het perceel Rijksweg 81 D te Naarden. Blijkens de vergunning en de gebiedsindelingskaart van de welstandnota ligt dat perceel in een ander gebied dan eisers perceel, te weten in gebied 13 (bedrijventerreinen). Nu hiervoor andere gebiedscriteria gelden, kan het welstandsoordeel ten aanzien van de reclame-uiting op eisers perceel niet worden vergeleken met de vergunde reclame-uiting op dat perceel. Ten aanzien van de overige reclame-uitingen op die toren heeft verweerder toegelicht dat daarvoor geen vergunningen zijn verleend en dat tegen die reclame-uitingen (net als tegen alle andere niet vergunde reclame-uitingen die verweerder bij een inventarisatie in mei 2009 in kaart heeft gebracht) wordt opgetreden. Ook de reclame-uitingen “Mobi Safe” en “DPM”, die wel vergund zijn, bevinden zich op of direct naast het perceel Rijksweg 81 D en aldus in een ander gebied (gebied 13, bedrijventerreinen). Op de door eiser in beroep overgelegde bijlagen 31-33 zijn naast de reclame-uitingen op de witte toren en de reclame-uitingen “Mobi Safe” en “DPM” nog een aantal andere reclame-uitingen aan de gevel (“TB Design”, “Meetingselect” en “MCC”) waar te nemen. Voor zover voor die reclame-uitingen vergunningen zouden zijn verleend, moet geconstateerd worden dat ook voor die reclame-uitingen de gebiedscriteria van gebied 13 gelden. Ten aanzien van de reclame-uiting “De Luit” is destijds, zo blijkt uit het verslag van de hoorzitting, overwogen dat daarvoor, gezien de maatvoering, geen bouwvergunning noodzakelijk was. Dat voor de reclame-uiting “De Witte Toren” bouwvergunning is verleend, is gesteld noch gebleken. Nu gezien het voorgaande geen sprake is van gelijke gevallen, slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds hierom niet.

2.11.  Nu verweerder, gezien het voorgaande, het bouwplan niet ten onrechte in strijd met redelijke eisen van welstand heeft geoordeeld, heeft verweerder de door eiser gevraagde bouwvergunning, gelet op het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, terecht geweigerd.

3.  Ten aanzien van de gehandhaafde last onder dwangsom die betrekking heeft op (de constructies met) de reclame-uitingen “Ruiter dakkapel” en “Burger King” overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat in elk geval die beide constructies (beide los van de gevel) bouwwerken zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Woningwet, voor de oprichting waarvan bouwvergunningen zijn vereist. Gezien de aard en de omvang van de constructies, zoals die van de zich in het dossier bevindende foto’s kunnen worden afgeleid, en de bedoeling van eiser om deze te laten staan, ziet de rechtbank ook hier geen aanleiding om dit uitgangspunt van partijen voor onjuist te houden. Het betreffen beide grote houten borden op palen, waarop een ijzeren frame is geplaatst waarbinnen de reclame-uitingen zijn opgehangen. Nu bouwvergunningen voor deze bouwwerken ontbreken, zijn deze in strijd met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, op het perceel in stand gelaten. Verweerder was dan ook bevoegd om handhavend op te treden.

3.1.   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.2.  De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder ter zitting heeft gesteld en eiser niet heeft weersproken dat ook de constructie met de reclame-uiting “Burger King” inmiddels is verwijderd en dat de reclame-uiting “Ruiter dakkapel” inmiddels is gewijzigd. Nu het hier de beoordeling van een opgelegde last onder dwangsom betreft, is het procesbelang bij de beoordeling van het beroep eiser hiermee niet komen te ontvallen.

3.3.  Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de bouwwerken geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het plaatsen van de bouwwerken met de reclame-uitingen “Ruiter dakkapel” en “Burger King” (hierna: de reclameborden), gezien de maatvoering van die bouwwerken, in strijd is met artikel 14, onder C, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” (het bestemmingsplan), dat hiervan geen vrijstelling zal worden verleend en dat de reclameborden los daarvan ook niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.

3.4.  Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat de reclameborden in strijd zijn met de planvoorschriften, overweegt de rechtbank als volgt.

3.4.1  In artikel 14, onder C, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is bepaald dat voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat de oppervlakte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover gebouwd voor naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan, ten hoogste 2 m2 zal bedragen.

3.4.2.  Eiser heeft gesteld dat de bouwwerken inderdaad groter zijn dan de in artikel 14, onder C, tweede lid, aanhef en onder a, genoemde 2 m2, maar dat dit planvoorschrift niet op zijn situatie van toepassing is. Eiser heeft hiertoe aangevoerd dat zijn woning niet kan worden aangemerkt als een bedrijfswoning, omdat zijn woning niet voldoet aan de in de planvoorschriften opgenomen definitie van een bedrijfswoning. Nu eisers huisvesting op het perceel niet noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, is volgens eiser geen sprake van een bedrijfswoning en aldus evenmin van bouwwerken gebouwd voor de naar de weg gekeerde gevel van een ‘bedrijfswoning’. Gelet hierop, is volgens eiser de in dat artikel genoemde maatvoering niet op eisers situatie van toepassing en zijn de reclame-uitingen los van de gevel niet in strijd met het bestemmingsplan.

3.4.3.  Met verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat, nu het perceel is aangewezen voor bedrijfsbebouwing en uit de planvoorschriften volgt dat die grond bestemd is voor “bedrijven van nijverheid ambacht met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder dienstwoningen (..)”, eisers woning als een dienst- dan wel bedrijfswoning kan worden aangemerkt. Dat eiser de woning niet als bedrijfswoning, als omschreven in de planvoorschriften, gebruikt, doet hieraan niet af. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Nu artikel 14, onder C, tweede lid, van de planvoorschriften wel op deze situatie van toepassing is en niet in geschil is dat de maatvoering van de twee reclame-uitingen los van de gevel ieder de toegestane 2m2 overschrijden, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de reclameborden in strijd zijn met het bestemmingsplan.

3.5.  In geschil is verder of verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet bereid is om hiervoor ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen. De ontheffingsbevoegdheid betreft een discretionaire bevoegdheid. Het al dan niet gebruiken van die bevoegdheid kan door de rechtbank slechts marginaal worden getoetst. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2010, LJN: BO1125, overweegt de rechtbank dat in beginsel het enkele feit dat verweerder niet bereid is ontheffing te verlenen al volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Het standpunt van verweerder dat hij geen ontheffing wenst te verlenen voor de reclameborden, omdat er dan een rommelig aangezicht zal ontstaan en de ontheffing tot ongewenste precedentwerking zou kunnen leiden, acht de rechtbank daarbij niet onaanvaardbaar. Eisers beroepsgrond op dit punt slaagt dan ook evenmin.

3.6.  Dat gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland (hierna: GS) bij besluit van
31 oktober 1989 aan eiser ontheffing hebben verleend voor het in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Verordening Opschriften en Opslag houden van een bord (dat uiteindelijk door het bord met de reclame-uiting “Burger King” is vervangen), doet aan het voorgaande niet af. Het besluit van GS kan niet worden aangemerkt als een voor het bouwwerk (met de reclame-uiting “Burger King”) – door verweerder – verleende ontheffing van het bestemmingsplan die noodzakelijk is om bouwvergunning te kunnen verlenen. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

3.7.  Nu verweerder reeds op grond van het voorgaande heeft kunnen concluderen dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat, kan hetgeen verweerder heeft overwogen ten aanzien van het standpunt dat de reclameborden niet voldoen aan redelijke eisen van welstand, wat daar verder ook van zij, en hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd, verder buiten bespreking worden gelaten.

3.8.  Eiser heeft in beroep verder nog aangevoerd dat verweerder ook op dit punt ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gehonoreerd. In dit verband zijn de door eiser overgelegde foto’s van reclame-uitingen los van de gevel, die langs de Rijksweg zijn geplaatst, van belang. Eiser heeft ook ten aanzien van die foto’s gesteld dat niet valt in te zien hoe de daarop zichtbare reclame-uitingen, voor zover daarvoor vergunningen zijn verleend, wel acceptabel zijn vanuit het oogpunt van welstand. Voor zover voor die reclame-uitingen geen vergunningen zijn verleend, is eiser van mening dat tegen hem pas handhavend had mogen worden opgetreden als ook tegen de eigenaren van die reclame-uitingen is opgetreden. De andere eigenaren hebben anders veel langer dan eiser inkomsten kunnen generen uit het hebben van de (illegale) reclame-uitingen, terwijl eiser in overwegende mate afhankelijk is van de inkomsten uit zijn reclame-uitingen.

3.9.  Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, reeds omdat er in eisers geval geen zicht op legalisatie bestaat omdat de bouwwerken tevens in strijd met het bestemmingsplan zijn. Gesteld noch gebleken is dat verweerder ontheffing en bouwvergunning heeft verleend voor reclame-uitingen die, net als die van eiser, in strijd met het bestemmingsplan zijn. Daarnaast is van belang dat verweerder heeft uiteengezet en toegelicht dat alle reclame-uitingen in de omgeving van de Rijksweg in kaart zijn gebracht, dat gebleken is dat vrijwel alle reclame-uitingen los van de gevel niet vergunbaar zijn en dat hiertegen handhavend wordt opgetreden. De door verweerder overgelegde constateringsbrief van 29 juli 2010 en een brief van 31 augustus 2010 over aanhouding van het handhavingstraject, welke zijn verzonden in verband met een illegaal opgericht bouwwerk met een reclame-uiting op het perceel Rijksweg 77a te Naarden, onderstrepen dat door verweerder inderdaad tegen de bouwwerken met reclame-uitingen, waarvoor geen vergunning is en zal worden verleend, wordt opgetreden. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat van het tegendeel moet worden uitgegaan. Dat eiser eerder is aangeschreven dan anderen en, gelet hierop, korter dan de andere overtreders inkomen uit de illegale reclame-uitingen heeft kunnen generen, kan niet tot het oordeel leiden dat verweerder in eisers geval van handhavend optreden had dienen af te zien dan wel zijn beslissing daartoe had moeten aanhouden.

3.10.  De stelling van eiser dat het handhavend optreden van verweerder in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en dat verweerder onzorgvuldig handelt en misbruik van zijn bevoegdheid maakt, volgt de rechtbank niet. Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM kunnen beperkingen worden aangebracht ten aanzien van het recht op ongestoord genot van eigendom. Deze bepaling laat de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, onverlet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beperkingen in het gebruik die voortvloeien uit het bestemmingsplan en het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet gesteld in het algemeen belang. Deze beperkingen houden dan ook beperkingen als bedoeld in voornoemd artikel in. Naleving van die voorschriften mag door handhavend optreden worden afgedwongen (zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2009, LJN: BJ9502). Nu aan het bestreden besluit ruimtelijk relevante overwegingen ten grondslag zijn gelegd, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat verweerder, zoals eiser heeft gesteld, dat besluit in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft genomen.

3.11.  De rechtbank overweegt tot slot dat de beroepsgrond van eiser dat de last onder dwangsom onvoldoende is gespecificeerd - omdat de bezwaarcommissie dit heeft opgemerkt, maar verweerder hiermee niets heeft gedaan - evenmin slaagt. Verweerder heeft door in het bestreden besluit een omschrijving van de bouwwerken te geven waarop de last betrekking heeft en de daarop bevestigde reclame-uitingen te noemen, afdoende gespecificeerd waarop de last betrekking heeft. Dat de bezwaarcommissie het verstandig leek om aan de te nemen beslissing op bezwaar foto’s van de betreffende bouwwerken te hechten, doet hieraan niet af. Voor eiser was, gezien ook zijn mededelingen ter zitting hierover, voldoende duidelijk op welke twee reclameborden de last betrekking heeft.

3.12.  Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan ten aanzien van de reclameborden niet worden geconcludeerd dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom tot het verwijderen daarvan. In de omstandigheid dat eiser (in overwegende mate) voor zijn inkomen afhankelijk is van de reclame-uitingen, heeft verweerder geen aanleiding behoeven te zien om van handhavend optreden af te zien. Eiser had, gezien de bepalingen uit het bestemmingsplan, kunnen weten dat het plaatsen van dergelijke borden op zijn perceel op deze wijze niet is toegestaan en dat hij zijn inkomen daarvan niet afhankelijk zou moeten maken. Dat eiser desalniettemin gedurende lange tijd toch van deze reclameborden heeft kunnen profiteren en afhankelijk is geworden van de daaruit voortvloeiende inkomsten, maakt niet dat verweerder van handhaving had dienen af te zien.

4.  Gezien het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, in aanwezigheid van M.C.W. van der Voort, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2011.

de griffier  de rechter

De griffier is buiten staat
de uitspraak te ondertekenen.


Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.