Breda, bijbehorend bouwwerk, nu vergunningvrij

Raad van State, 13-7-2011
Omwonenden hebben met succes bezwaar gemaakt tegen de lichte bouwvergunning die Breda in 2009 heeft verleend voor een schuur in de achtertuin van hun buurman. In hoger beroep blijkt echter dat de schuur volgens de nieuwe regels (met het verdwijnen van de bufferzone van 1 meter aan de achtergrens) vergunningvrij geworden is. Daardoor is de zaak nu niet meer ontvankelijk.


LJN: BR1462, Raad van State , 201010732/1/H1   
 
Datum uitspraak:    13-07-2011
Datum publicatie:    13-07-2011
Rechtsgebied:    Bouwen
Soort procedure:    Hoger beroep
Inhoudsindicatie:    Bij besluit van 21 augustus 2009 heeft het college aan [appellant sub 2] een lichte bouwvergunning verleend voor het bouwen van een berging op het perceel [locatie] te Breda.
 

Uitspraak
201010732/1/H1.
Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Breda,
2. [appellant sub 2], wonend te Breda,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 oktober 2010 in
zaak nrs. 10/529 en 10/530 in het geding tussen:

[wederpartijen A], wonend te Breda (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij A]), [wederpartij B], wonend te Breda

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2009 heeft het college aan [appellant sub 2] een lichte bouwvergunning verleend voor het bouwen van een berging op het perceel [locatie] te Breda.

Bij besluit van 17 december 2009 heeft het college de door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2010, verzonden op 18 oktober 2010, heeft de rechtbank de door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 17 december 2009 vernietigd, het besluit van 21 augustus 2009 herroepen, geweigerd de op 22 juli 2009 door [appellant sub 2] gevraagde lichte bouwvergunning te verlenen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2010, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 21 december 2010.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [wederpartij A] en [wederpartij B] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. R.M.J.F. Meeuwis en M.J.J.G. Buijs, beiden werkzaam bij de gemeente, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.A. de Boer, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [wederpartij B], bijgestaan door mr. A.M.L. Josten, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan, waarvoor [appellant sub 2] op 22 juli 2009 een bouwvergunning heeft aangevraagd, betreft een inmiddels gerealiseerde berging op het achtererf met een oppervlakte van ongeveer 23 m², een bouwhoogte van 3 m en een plat dak.

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Deze wet voorziet in de samenvoeging van in verschillende wettelijke regelingen neergelegde stelsels van vergunningen en toestemmingen, waaronder het in de Woningwet neergelegde verbod tot bouwen zonder bouwvergunning. Hiervoor in de plaats is in de Wabo het verbod opgenomen tot het verrichten van daarin beschreven activiteiten zonder omgevingsvergunning.

2.2.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het eerste lid, onder c, voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3, gelezen in samenhang met artikel 5 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2, gelezen in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en derde lid, onder b, van bijlage II, is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet vereist indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, voor zover op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

1º. niet hoger dan 3 m,

2º. de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken binnen een afstand van 1 m van een naburig erf niet meer dan 10 m²,

3º. als gevolg van het bijbehorende bouwwerk de totale oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw niet meer dan 30 m², en

4º. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Ingevolge het derde lid, onder c, geldt voorts als eis dat het op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied is gesitueerd, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II wordt onder achtererfgebied verstaan: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II wordt onder bijbehorend bouwwerk verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II wordt onder openbaar toegankelijk gebied verstaan: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

2.3. De berging is een bijbehorend bouwwerk in een achtererfgebied in de zin van artikel 1 van bijlage II bij het Bor. De berging voldoet aan de in artikel 2, aanhef en derde lid, onder b, van bijlage II gestelde eisen. Achter de berging bevindt zich een pad dat toegang verschaft tot de berging en parallel daaraan een haag met een groenstrook, alsmede een voetpad dat dient ter ontsluiting van de achtererven van de daar aanwezige percelen. Deze gronden, met een breedte van meer dan 1 m, zijn evenwel niet aan te merken als openbaar toegankelijk gebied in de zin van artikel 1 van bijlage II bij het Bor. Dit betekent dat de berging is gelegen op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied zodat is voldaan aan de in artikel 2, aanhef en derde lid, onder c, van bijlage II gestelde eis. Nu de berging voldoet aan de eisen van artikel 2 van bijlage II, hebben het college en [appellant sub 2] terecht betoogd dat voor de oprichting van de berging geen omgevingsvergunning is vereist.

2.4. Vorenstaande brengt mee dat de hoger beroepsgrond van [appellant sub 2] dat de rechtbank het besluit op bezwaar van 17 december 2009 ten onrechte heeft vernietigd, niet kan leiden tot een voor hem gunstiger resultaat. Evenmin is gebleken van andere redenen op grond waarvan het hoger beroep van [appellant sub 2] moet worden beoordeeld.

Indien de rechtbank een besluit van een bestuursorgaan heeft vernietigd, zoals in dit geval, heeft dat bestuursorgaan in beginsel procesbelang bij een daartegen ingesteld hoger beroep. Het college heeft ter zitting van de Afdeling echter te kennen gegeven dat het geen inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep nodig acht in het geval de Afdeling tot de conclusie komt dat, zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, voor de berging geen omgevingsvergunning vereist is. Onder deze omstandigheden zal de Afdeling dat hoger beroep evenmin beoordelen.

2.5. De hoger beroepen van [appellant sub 2] en het college zijn niet-ontvankelijk.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Oudenaller
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011