Zwartewaterland, schuur in voortuin. Afwijken van bestemmingsplan.

Rechtbank Zwolle-Lelystad, uitsprtaak 21-9-2011, publicatie 26-9-2011
Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwwerk dat niet past in het bestemmingsplan, moet uiteraard tevens beschouwd worden als een aanvraag om een vergunning voor afwijken van het bestemmingsplan.
Volgens de rechtbank in Zwolle is echter sinds de Wabo de ruimte voor een gemeente veel kleiner geworden om zo'n aanvraag af te wijzen. Vroeger gold dat een gemeente een wijziging van het bestemmingsplan van de hand kon wijzen, als die wijziging niet wenselijk was. Nu kan een afwijking slechts geweigerd worden, als het bouwplan 'niet mogelijk' is. (zie overweging 4.3 in onderstaande uitspraak)
De consequentie is natuurlijk dat het bestemmingsplan inmiddels nog verder is uitgehold. 

LJN: BT2563, Rechtbank Zwolle , Awb 11/1179
Datum uitspraak:    21-09-2011
Datum publicatie:    26-09-2011
Rechtsgebied:    Bouwen
Soort procedure:    Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie:    Verweerder heeft de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een schuur op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

Aanvraag omgevingsvergunning; geen herhaalde aanvraag 4:6 Awb.
Vindplaats(en):    Rechtspraak.nl
Uitspraak
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector Bestuursrecht
Registratienummer: Awb 11/1179


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser],
wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. P.H. Rappa,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland,
verweerder.


Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een schuur bij de woning op het perceel [straat] 10 in [woonplaats] op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.
Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 19 april 2011 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 16 augustus 2011 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Boers.


Overwegingen

1. Bij de beoordeling van dit geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 4 mei 2010 heeft eiser een aanvraag om lichte bouwvergunning ingediend bij verweerder voor het plaatsen van een schuur aan de voorzijde van zijn perceel aan [straat] 10 in [woonplaats]. De schuur heeft een oppervlakte van circa 22,5 m².

Ingevolge het destijds geldende bestemmingsplan ‘Nadorst’ hadden de gronden waarop het bouwwerk beoogd is, de bestemming ‘Tuin’. Het aangevraagde bouwplan was in strijd met die bestemming.

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft verweerder aan eiser meegedeeld niet mee te willen werken aan het verlenen van ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de gevraagde bouwvergunning geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiser op 29 september 2010 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 2 november 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit buiten de daarvoor geldende termijn was ingediend. Eiser heeft tegen laatstgenoemd besluit geen beroep ingesteld, zodat dit besluit thans onherroepelijk is.

Op 10 januari 2011 heeft eiser vervolgens een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een schuur op zijn perceel. Deze schuur betreft hetzelfde bouwwerk, op dezelfde locatie, als waar de op 4 mei 2010 ingediende aanvraag om lichte bouwvergunning op zag.

Verweerder heeft de aanvraag van 10 januari 2011 in het primaire besluit op grond van artikel 4:6 van de Awb afgewezen, omdat eiser met betrekking tot deze aanvraag geen nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van de aanvraag van 4 mei 2010 heeft vermeld. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd en het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

2. Eiser voert in beroep aan dat hij in zijn aanvraag van 10 januari 2011 wel degelijk nieuwe feiten en omstandigheden heeft vermeld, namelijk dat de eigenaar van het naastgelegen perceel aan [straat] 12 wel een lichte bouwvergunning heeft gekregen voor het plaatsen van een schuur aan de voorzijde van zijn woning. Eiser stelt hierbij dat uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat het niet noodzakelijk is dat de nieuwe feiten of omstandigheden dateren van na het tijdstip van de beschikking op de eerste aanvraag. Verder is volgens eiser ook nieuw dat de omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar tegen de schuur te hebben. Daarnaast is eiser van mening dat verweerder in het besluit van 5 juli 2010 ten onrechte geconcludeerd heeft dat het door eiser aangevraagde bouwplan resulteert in een onevenredige verdichting van de voortuin en afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

3. Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1. Onder meer in haar uitspraak van 10 augustus 2005, LJN: AU0764, overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:6 van de Awb blijkt dat deze bepaling niet van toepassing is in de situatie dat het recht wordt gewijzigd. Gelet hierop, acht de rechtbank met betrekking tot het onderhavige geschil van belang dat op 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking zijn getreden.

4.2. De inwerkingtreding van de Wabo heeft tot gevolg dat thans sprake is van een andere vergunning die aangevraagd wordt. De onderhavige aanvraag betreft namelijk een omgevingsvergunning, terwijl de aanvraag van 4 mei 2010 zag op een lichte bouwvergunning, tevens aan te merken als een verzoek om ontheffing van het bestemmingsplan. Nu een andere vergunning, namelijk berustend op een andere wettelijke grondslag, wordt aangevraagd is geen sprake van een herhaalde aanvraag en mist artikel 4:6 Awb reeds hierom toepassing.

4.3. Bovendien is sprake van nieuw recht: de inwerkingtreding van de Wabo en het Bor heeft tot gevolg dat de mogelijkheden van verweerder om van het bestemmingsplan af te wijken, zoals deze zijn opgenomen in artikel 2.12 van de Wabo en artikel 4 van bijlage II van het Bor, zijn gewijzigd ten opzichte van de voorheen geldende mogelijkheden om ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan, zoals deze waren opgenomen in artikel 3.23 van de Wro en artikel 4.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Daarbij komt dat in artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo is bepaald, dat de vergunning slechts geweigerd wordt als vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Hoewel het de vraag is of de wetgever het ook zo heeft bedoeld, lijkt deze formulering te wijzen op een beperktere weigeringsmogelijkheid dan voorheen, toen verweerder een grote vrijheid had om al dan niet ontheffing te verlenen. De rechtbank leidt hieruit af dat bij weigering van een omgevings-vergunning gemotiveerd moet worden waarom afwijking van het bestemmingsplan niet mogelijk is, in plaats van -alleen maar- niet wenselijk.

4.4. Ten slotte is op de onderhavige aanvraag van eiser het bestemmingsplan ‘Woonwijken’ van toepassing, terwijl ten tijde van het indienen van de eerdere aanvraag om bouwvergunning op 4 mei 2010 nog het bestemmingsplan ‘Nadorst’ van kracht was. Weliswaar blijkt uit enkele stukken uit het dossier dat aan het besluit van verweerder van 5 juli 2010, om niet mee te werken aan het verlenen van ontheffing van het bestemmingsplan op grond van artikel 3.23 van de Wro, mede de gedachte ten grondslag heeft gelegen dat het bouwplan ingevolge het bestemmingsplan ‘Woonwijken’ ook niet toegestaan was, maar dit is niet opgenomen in de overwegingen bij dit besluit. Door op grond van artikel 4:6 van de Awb naar dat besluit te verwijzen, wordt derhalve naar niet meer toepasbaar recht verwezen.

4.5. De rechtbank is samenvattend van oordeel dat de aanvraag van eiser van 10 januari 2011 geen herhaalde aanvraag is, en dat tevens zowel een ander wettelijk kader als een ander bestemmingsplan op deze aanvraag van toepassing is. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser van 10 januari 2011 niet op grond van artikel 4:6 van de Awb heeft mogen afwijzen. Dat verweerder heeft aangegeven dat de wijziging van het wettelijk kader en het van toepassing zijnde bestemmingsplan niet zal leiden tot een inhoudelijk ander besluit op de aanvraag van eiser, doet hier niet aan af.

5. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Omdat verweerder nog niet aan een inhoudelijke toetsing volgens het nieuwe recht is toegekomen, en het om een discretionnaire bevoegheid van verweerder gaat, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van eiser dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 en € 437,- per punt). Aan eiser is ter zake van het beroep een toevoeging verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand. Om die reden dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

-   verklaart het beroep gegrond;
-   vernietigt het bestreden besluit;
-   draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser, met
  inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
-   veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 874,-, te
  betalen aan de griffier van de rechtbank;
-  bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 152,- vergoedt.