Rhenen. Vergunningvrij bouwen in strijd met bestemmingsplan: welstandstoets vereist.

Rechtbank Utrecht. Tussenvonnis 2-5-2012, gepubliceerd 18-6-2012
Een bewoner in Rhenen wil op het achtererf bij zijn woning van 55 m2 een bijgebouw plaatsen van ruim 90 m2. Het bestemmingsplan staat in deze percelen slechts 50 m2 aan bijgebouwen toe. De bewoner vraagt en ontvangt een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘strijdig planologisch gebruik’, omdat hij, als er eenmaal planologische goedkeuring is, het bouwwerk op grond van art. 3 van bijlage II BOR vergunningvrij kan bouwen. Omwonenden maken bezwaar.
De rechter vindt dit een ongeoorloofde manier van werken: het bouwen en het planologisch strijdig gebruik zijn één onlosmakelijke activiteit, die niet in tweeën kan worden geknipt. Omdat de gemeente kennelijk wil meewerken (de planologische vergunning is verleend), had dat beter kunnen gebeuren op grond van art. 4, bijlage II van het BOR: de afwijking van het bestemmingsplan (zogenoemde C-vergunning). Voor afwijkingsvergunningen heeft de gemeente beleidsregels vastgesteld en het plan valt daarbinnen. Bij toepassing van die beleidsregels moet echter een specifieke belangenafweging plaatsvinden, en bovendien moet een bouwplan dat via de C-vergunning loopt wel getoetst worden aan art. 2.10 Wabo en dus worden voorgelegd aan de welstandscommissie. De rechtbank wijst er op dat in de welstandsnota is bepaald dat bijgebouwen ondergeschikt moeten zijn aan de hoofdmassa: in de welstandsbeoordeling moet dat aspect expliciet betrokken worden, stelt de rechtbank. Aangezien deze ondergeschiktheid niet geregeld wordt in het bestemmingsplan (dat altijd voorrang heeft op de welstandseisen), kan en mag het dus een rol spelen in de welstandstoets.
Naar mijn oordeel is met deze uitspraak een gevreesd probleem weggenomen, namelijk dat álle bouwwerken op achtererven vergunningvrij en dus welstandsvrij kunnen worden gebouwd. Indien het plan niet past binnen het bestemmingsplan, dan is een simpele planologische goedkeuring dus niet genoeg om daarna welstandsvrij te kunnen bouwen. In een eerdere uitspraak (LJN: BP4832) was al vastgelegd dat de vergunning voor afwijking van het bestemmingsplan verleend wordt voor een specifiek bouwwerk – zodat het niet mogelijk is om met de planologische toestemming in de hand vervolgens vergunningvrij iets geheel anders te bouwen.

LJN: BW8600, Rechtbank Utrecht , SBR 11/2667 T  
 
Datum uitspraak:    02-05-2012
Datum publicatie:    18-06-2012
Rechtsgebied:    Bestuursrecht overig
Soort procedure:    Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie:    Wabo, tussenuitspraak. Artikel 3 van Bijlage II van het Bor is niet van toepassing wanneer het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.
Vindplaats(en):    Rechtspraak.nl
 

Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/2667 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2012 in de zaak tussen

ir. [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5] en [eiser 6] te [woonplaats], eisers
(gemachtigden: mr. R. Vleugel en ir. [eiser 1]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen, verweerder
(gemachtigden: T. Florissen en B. Brandenburg-Stroo).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te [woonplaats],
(gemachtigde: mr. T. van der Weijde).


Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), ten behoeve van een uitbouw aan de achterzijde van de woning op het perceel [adres] te [woonplaats].

Bij besluit van 8 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2012. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, vergezeld van zijn partner [partner vergunninghouder] en bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.  De rechtbank gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste feiten.
Vergunninghouder heeft op 22 december 2010 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Het bouwplan voorziet in het slopen van het bestaande bijgebouw van de woning aan de [adres] en het oprichten van een nieuwe berging en bebouwing op de begane grond, aansluitend aan de bestaande woning. Blijkens de bouwtekening is het de bedoeling deze aansluitende bebouwing te gebruiken als woonruimte. Het vloeroppervlak van de begane grond van de huidige woning bedraagt 55 m². Het bouwplan voorziet in een uitbreiding met 97,65 m².

Belanghebbenden
2.  Nadat verweerder bij het primaire besluit de gevraagde vergunning heeft verleend, hebben [eiser 1] en [eiser 4], [eiser 5], [eiser 6] en [eiser 3] bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers [eiser 1] en [eiser 4] ([adres]), [eiser 5] ([adres]) en [eiser 6] ([adres]) terecht als belanghebbenden aangemerkt omdat zij, zoals ook de rechtbank heeft geconstateerd, directe buren zijn, danwel rechtstreeks zicht hebben op het perceel [adres]. [eiser 3] ([adres]) zijn daarentegen niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar omdat zij volgens verweerder niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.
Ingevolge artikel 8:1 eerste lid, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan alleen een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken en beroep aantekenen. De rechtbank ziet zich daarom eerst voor de vraag gesteld of [eiser 3] ontvankelijk zijn in hun bezwaar.

3.   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben, dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. In bouwzaken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dit belanghebbende-begrip meer concreet ingevuld aan de hand van het nabijheidscriterium en het zichtcriterium. Met betrekking tot [eiser 3], woonachtig aan de [adres], stelt verweerder dat zij geen zicht hebben op het perceel [adres]. Aan de hand van de ter zitting getoonde plattegrond heeft de rechtbank echter vastgesteld dat tussen de woning van [eiser 3] en het perceel [adres] slechts twee andere, aaneengeschakelde woningen zijn gelegen. Dat betekent dat hun woning op minder dan ongeveer 50 m afstand van het bouwplan ligt. Tevens is ter zitting duidelijk geworden dat er vanaf het perceel van de woning van de familie [eiser 3] zicht zal zijn op (het hogere deel van) de geplande aanbouw. De rechtbank is daarom van oordeel dat [eiser 3] belanghebbenden zijn. Verweerder heeft het bezwaar van de familie [eiser 3] dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Inhoudelijke beoordeling
4.  Op het perceel aan de [adres] is het bestemmingsplan “Grebbekwartier-Noord” van kracht. Het perceel heeft op grond van de plankaart de bestemming Wa (vrijstaande en/of rijenwoningen). Artikel 3.4b van de planvoorschriften van het bestemmingsplan bepaalt dat het gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en uitbouwen per woning niet meer dan 50m² mag bedragen. Het gezamenlijk oppervlak bijgebouwen en uitbouwen op het perceel bedraagt na realisatie van het bouwplan echter 97,65 m² en is daarom strijdig met het bestemmingsplan.
Verweerder heeft de aanvraag voor het bouwplan opgesplitst in de activiteit ‘bouwen’ en de activiteit ‘strijdigheid met het bestemmingsplan’. Deze strijdigheid met het bestemmingsplan kan volgens verweerder afzonderlijk worden opgeheven door toepassing van artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bouwplan kan dan voor wat betreft de activiteit ‘bouwen’ vervolgens, op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wabo in combinatie met artikel 2.3 eerste lid, van het Bor en artikel 3 van Bijlage II van het Bor, omgevingsvergunningvrij worden uitgevoerd, aldus verweerder.
5.  Partijen hebben het standpunt van verweerder dat voor het bouwplan, voor zover het ziet op de activiteit ‘bouwen’, geen omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 eerste lid, onder a, van de Wabo, is vereist, niet bestreden. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder op dit punt een bepaalde invulling heeft gegeven aan artikel 2.1 en 2.12 van de Wabo, in combinatie met artikel 3 van Bijlage II van het Bor, die niet zonder meer uit de wettelijke bepalingen voortvloeit en ook in de rechtspraak nog geen erkenning heeft gevonden. Nu het bestreden besluit gebaseerd is op deze invulling van de wettelijke bepalingen ziet de rechtbank zich genoodzaakt het standpunt van verweerder dat het bouwplan voorzover het ziet op de activiteit ‘bouwen’ vergunningvrij is, ambtshalve te beoordelen.

6. Artikel 3 van Bijlage II van het Bor bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo niet is vereist indien deze activiteit betrekking heeft op - onder meer - een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied, mits niet hoger dan 5 meter. Gelet op de definitie van ‘bijbehorend bouwwerk’ en van ‘achtererfgebied’ in artikel 1, eerste lid, van Bijlage II van het Bor valt het bouwplan valt, zoals verweerder terecht heeft overwogen, op zichzelf binnen deze omschrijving. Daar komt echter bij dat verweerder tevens heeft geconstateerd dat het bouwplan een groter oppervlak beslaat dan onder het bestemmingsplan is toegestaan, zodat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan niet kan worden opgeknipt in twee afzonderlijke activiteiten, met elk een afzonderlijk vergunningregime.
Het systeem van vergunningvrij bouwen zoals neergelegd in artikel 2 en 3 van Bijlage II van het Bor ziet op twee verschillende situaties. Wanneer men een bouwwerk, dat niet voldoet aan het bestemmingsplan, omgevingsvergunningvrij wil realiseren, dan kan dat op grond van genoemd artikel 2, mits het bouwwerk voldoet aan de specifiek in artikel 2 gestelde eisen. Wil men een bouwwerk dat niet voldoet aan de in artikel 2 gestelde eisen omgevingsvergunningvrij realiseren dat kan dat op grond van genoemd artikel 3, mits het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan. Hiermee heeft de wetgever de lastendruk van de vergunningplicht willen verminderen voor bouwwerken die zeer beperkt van omvang en aard zijn (artikel 2) en voor bouwwerken die planologisch reeds zijn toegestaan (artikel 3). De invulling die verweerder heeft gekozen, verdraagt zich dan ook niet met het systeem van het vergunningvrij bouwen zoals neergelegd in Bijage II van het Bor.

7.  Gelet op het voorgaande had verweerder het bouwplan niet mogen splitsen in de activiteit ‘bouwen’ en de activiteit ‘strijdig met het bestemmingsplan’; verweerder had het bouwplan, ten behoeve van de vraag of voor de activiteit ‘bouwen’ een omgevingingsvergunning kon worden verleend, allereerst moeten toetsen aan artikel 2.10 van de Wabo. Dit is ten onrechte niet gebeurd
De rechtbank is, gelet op voorgaande overwegingen, van oordeel dat bij het toekennen van de omgevingsvergunning een onjuiste invulling is gegeven aan het bepaalde in artikel 3 van Bijlage II van het Bor. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met dat artikel en met artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient vernietigd te worden. Ten behoeve van zo finaal mogelijke beslechting van het geschil zal de rechtbank vervolgens de overige beroepsgronden beoordelen.

8.  Verweerder heeft, voor de activiteit ‘strijd met het bestemmingsplan’ een ontheffing verleend op grond van artikel 4 van Bijlage II van het Bor.
Artikel 4 van Bijlage II van het Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komt een bijbehorend bouwwerk, binnen de bebouwde kom.

9.  De rechtbank stelt vast dat genoemd artikel 4 verweerder de bevoegdheid geeft om een ontheffing te verlenen, in de situaties die in dit artikel genoemd staan. Indien aan de voorwaarden voor toepassing van die bevoegdheid is voldaan, heeft verweerder in beginsel beleidsvrijheid om te bepalen of hij van zijn bevoegdheid gebruik wenst te maken.
De rechtbank zal gelet daarop, aan de hand van de beroepsgronden van eisers, allereerst toetsen of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing en zo ja, of verweerder vervolgens in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.

10.  Eisers hebben als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat het bouwplan, gelet op de geplande afmetingen, niet geschaard kan worden onder ‘kruimelgevallen’ waarop artikel 4 van Bijlage II van het Bor ziet. De ontheffingsmogelijkheid die in dat artikel wordt gegeven, kan daarom niet worden toegepast.
Volgens rechtspraak van de ABRvS (bijvoorbeeld LJN BU1640) blijkt uit de tekst van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo niet dat is beoogd de toepassing van deze bevoegdheid te beperken tot planologisch ondergeschikte gevallen; toepassing van de bevoegdheid is uitsluitend beperkt tot de categorieën van gevallen die zijn genoemd in artikel 4 van Bijlage II van het Bor. Nu het bouwplan van vergunninghouder aan de vereisten van dit artikel voldoet, kan daarom in beginsel de ontheffingsmogelijkheid worden toegepast. Het feit dat het bouwplan zien op een relatief groot bouwwerk maakt dat niet anders. Deze grond slaagt daarom niet.

11.  Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder in beginsel bevoegd was tot het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º van de Wabo in combinatie met artikel 4 van Bijlage II van het Bor. Voorts is ter beoordeling of verweerder, gelet op alle betrokken belangen, in redelijkheid tot verlening van de vrijstelling heeft kunnen overgaan.

12.  Eisers [eiser 1] en [eiser 4] hebben aangevoerd dat aan het verlenen van de vergunning erfdienstbaarheden ten opzicht van hun perceel in de weg staan. In de leveringsakte van het perceel aan de [adres] is de volgende bepaling opgenomen:
  Artikel 9
  Bij dezen wordt gevestigd en aangenomen over en weer ten behoeve en ten laste van het verkochte [adres] en ten laste en behoeve van de aan de verkoopster verblijvende percelen, plaatselijk bekend [adres] en 22, welke percelen kadastraal bekend zijn als gemeente [kadastraaladres] gedeeltelijk:
  - de erfdienstbaarheid om te dulden dat de huidige bebouwing met de daarbij behorende onder- of bovengrondse werken en installaties, van welke aard dan ook, eventueel in strijd met enige bepaling van burenrecht zou kunnen zijn, alsmede:
  - de erfdienstbaarheid van afvoer van regenwater, huishoudwater en faecaliën, overbouw, inankering, inbalking, licht en uitzicht.
Eisers zijn van mening dat de bepalingen met betrekking tot licht en uitzicht evidente privaatrechtelijke belemmeringen zijn. Het geplande bouwwerk zou een zeer nadelige invloed op het licht en uitzicht van het perceel [adres] hebben, en mag derhalve ook geen doorgang vinden, aldus eisers.

13.  Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS (bijvoorbeeld LJN BN7942) is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan verlening van een ontheffing in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. Het is in eerste instantie aan de burgerlijke rechter om te beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.
In artikel 9 is niet nader geconcretiseerd op welke wijze invulling moet worden gegeven aan de erfdienstbaarheden licht en uitzicht. Voor de beslechting van een geschil over de uitleg en reikwijdte van de erfdienstbaarheid is de burgerlijke rechter dan ook de aangewezen rechter. Evenals verweerder is de rechtbank daarom van oordeel dat de in artikel 9 genoemde erfdienstbaarheden geen evidente privaatrechtelijke belemmering vormen.
Deze staan daarom niet aan het verlenen van een ontheffing in de weg. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

14.  Eisers hebben voorts aangevoerd dat verweerder geen, althans onvoldoende, belangenafweging heeft gemaakt.
Verweerder heeft in dit verband gesteld dat voor de toepassing van artikel 4 van Bijlage II van het Bor de volgende beleidsregel is vastgesteld:
  3. Beleidsregels ex artikel 4 Bijlage II
Het college van burgemeester en wethouders stelt naast deze wettelijk eisen zelf de volgende kwantitatieve eisen. Deze eisen beperken de reikwijdte van artikel 4 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Het betreft hier kwantitatieve eisen met betrekking tot de uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk en voor het realiseren van een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw. Voor de goede orde, de omgevingsvergunning als bedoeld kan worden verleend indien wordt voldaan aan de wettelijke eisen en de eisen als gesteld in deze beleidsregel.
  Criteria voor een bijbehorend bouwwerk
  1 Het betreft een bouwplan achter de voorgevelrooilijn en is gelegen op voor woning bestemde gronden (zoals bijvoorbeeld woondoeleinden, (voor)erf, tuin, enz.);
2. Maximaal 25% van de bij de woning behorende kadastrale percelen mag worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken met een maximum van 125m²;
3. De goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 3 meter. De nokhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 4,50 meter.(..)
Verweerder heeft toegelicht dat in beginsel ook overeenkomstig deze beleidsregel wordt besloten. Slechts indien het handelen overeenkomstig de beleidsregel in een bijzonder geval zal leiden tot nadelige gevolgen voor één of meer belanghebbenden die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen is een afwijking van de beleidsregel geoorloofd en geboden. Dit omdat in de beleidsregel zelf al een afweging is gemaakt van belangen zoals oppervlakte, uitzicht op een blinde muur, en licht- en uitzicht verlies.
In dit geval valt het bouwplan binnen de criteria zoals neergelegd in het beleid en verweerder heeft geen bijzondere omstandigheden geconstateerd die een afwijking van de beleidsregel rechtvaardigen. In het verweerschrift is daar nog aan toegevoegd dat verweerder, overeenkomstig artikel 4:82 van de Awb, als motivering voor het bestreden besluit heeft kunnen volstaan met het verwijzen naar de beleidsregel.

15.  De rechtbank stelt vast dat noch uit het bestreden besluit, noch uit het verweerschrift is op te maken dat er in dit geval een specifieke afweging van alle betrokken belangen is gemaakt. Verweerder stelt zich weliswaar op het standpunt dat de door eisers aangevoerde belangen reeds bij het opstellen van de beleidsregel zijn afgewogen en dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van deze beleidsregel af moet worden geweken, maar de beleidsregel waarop verweerder zich beroept is echter geen dwingende bepaling: de beleidsregel bepaalt dat een vergunning kan worden verleend, indien aan alle vereisten is voldaan. Nu deze beleidsregel zelf ruimte laat, is verweerder gehouden een specifieke belangenafweging te maken, die ziet op het individuele geval.

16.  Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat er wel degelijk een belangenafweging heeft plaatsgevonden, waarbij onder meer de lichtinval voor het naastgelegen pand ([adres]) is meegewogen. Ook is meegewogen wat onder het bestemmingsplan mogelijk is en in welke mate het bouwplan daar vanaf wijkt: onder het bestemmingsplan is het mogelijk een grote uitbouw (van 50 m², met een bouwhoogte van 4,50 meter) tegen het perceel van de buren aan te plaatsen. Op grond daarvan zou derhalve een gebouw van 50 meter lang en 1 meter breed langs de erfgrens kunnen worden gebouwd. In dat geval zou de lichtinval en het uitzicht meer worden aangetast dan thans het geval is. Nu alleen de oppervlakte van het bouwplan afwijkt van het bestemmingsplan, ziet verweerder hierin aanleiding om de belangenafweging in het voordeel van de vergunninghouder uit de doen vallen.

17. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. In hetgeen verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, komt naar voren dat uitsluitend gekeken is naar de maximum afmetingen zoals in het beleid neergelegd en vervolgens naar hetgeen in theorie langs de perceelsgrens met de directe buren is toegestaan. De vergelijking van het bouwplan met de louter theoretische mogelijkheid onder het bestemmingsplan om een 50 meter lang gebouw langs de erfgrens te bouwen, volstaat naar het oordeel van de rechtbank niet als motivering voor de toelaatbaarheid van het bouwplan op deze plek. Er wordt daarmee immers niet ingegaan op de omstandigheid dat het bouwplan nagenoeg het dubbele betreft van wat onder het bestemmingsplan mogelijk is, hetgeen van invloed is op de lichtinval en het uitzicht van de naaste buren. Evenmin blijkt dat aandacht is besteed aan het feit dat met de uitbreiding ten opzichte van de bestaande woning een ongeveer driemaal zo grote bebouwing op de begane grond zal worden gerealiseerd. In dit verband hebben ook de overige eisers terecht de vraag opgeworpen of zich dit verhoudt met het kleinschalige karakter van de bestaande bebouwing in deze omgeving. Het zondermeer verwijzen naar het beleid doet in het onderhavige geval dan ook geen recht aan de bezwaren van eisers.
Het bestreden besluit is, gelet op voorgaande overwegingen, niet op zorgvuldige wijze voorbereid en berust niet op een kenbare en draagkrachtige motivering. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb.

18.  Hoewel het beroep, gelet op hetgeen overwogen onder 7 en 17 gegrond is en het bestreden besluit om die reden vernietigd dient te worden, lenen de geconstateerde gebreken zich in beginsel voor herstel. De rechtbank stelt verweerder daarom in de gelegenheid om met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, de geconstateerde gebreken te herstellen.
Om de gebreken te herstellen, dient verweerder allereerst de bouwaanvraag te toetsen aan artikel 2.10 van de Wabo en in dat verband ook voor te leggen aan de welstandscommissie.
Ten behoeve van die welstandstoets merkt de rechtbank voorts nog dat eisers hebben aangevoerd dat het bouwplan niet ziet op een ondergeschikte uitbouw, terwijl in de welstandsnota specifiek als welstandscriterium wordt aangegeven dat aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen ondergeschikt zijn aan de hoofdmassa. Eisers zijn van mening dat de grootte van de geplande uitbouw ten opzichte van de bestaande bebouwing er toe leidt dat de geplande uitbouw niet als ondergeschikt is aan te merken. Dit aspect zal, wil van een zorgvuldige en draagkrachtige motivering sprake zijn, uitdrukkelijk voorgelegd moeten worden aan de welstandscommissie. Het al dan niet ondergeschikt zijn van de geplande uitbouw aan de hoofdmassa kan en mag, nu het bouwplan niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, deel uitmaken van de welstandstoets.
Vervolgens zal verweerder bij het herstellen van geconstateerde gebreken een voldoende kenbare en draagkrachtige belangenafweging te maken, waarbij de bezwaren en ook de belangen van eisers zoals overwogen onder 17, opnieuw moeten worden afgewogen.

20.  De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Dat kan door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, onder gelijktijdige intrekking van het bestreden besluit. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb wordt het beroep dan - mocht de uitkomst voor eisers opnieuw negatief zijn - geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit.

21. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank.
Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen te reageren op het nieuw genomen besluit.
Naar aanleiding daarvan zal dan worden bezien hoe de behandeling van de zaak zal worden voortgezet.

22.  De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank

-  stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze
tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

-  houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M.M. van Amstel, rechter, in aanwezigheid van A. Tuk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2012.