Noordenveld, welstand betrekken bij ruimtelijke onderbouwing

Rechtbank Noord-Nederland, 26-2-2013

In de welstandsnota staat dat voor de betreffende bouwlocatie de woningen bestaan uit "één bouwlaag met een duidelijke, langgerekte kap". De gemeente wil via een vergunning voor afwijking van het bestemmingsplan op de betreffende locatie een gebouw met twee verdiepingen plus kap toestaan.
De rechtbank bepaalt dat in een dergelijke situatie de welstandscriteria buiten toepassing moeten blijven, maar dat in de ruimtelijke onderbouwing uitdrukkelijk aandacht moet worden besteed aan de belangen die met de betreffende welstandscriteria beschermd worden. In deze zaak is in de ruimtelijke onderbouwing inderdaad uitvoerig op welstandsaspecten ingegaan, waarbij onder andere wordt bepaald dat het nieuwe gebouw een duidelijke en langgerekte kap moet krijgen.


LJN: BZ2407, Rechtbank Assen , 12/456
Datum uitspraak:    26-02-2013
Datum publicatie:    26-02-2013
Rechtsgebied:    Bouwen
Soort procedure:    Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie:    De welstandscommissie heeft een positief welstandsadvies uitgebracht. Daaruit blijkt echter niet dat de welstandscommissie kenbaar aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat volgens de welstandsnota de hoofdvorm van gebouwen dient te worden bepaald door één bouwlaag met duidelijke en langgerekte kap, terwijl het bouwplan voorziet in twee bouwlagen. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het besluit onrechtmatig te achten. Daarvoor is redengevend dat een redelijke toepassing van artikel 12, derde lid, van de Woningwet naar het oordeel van de rechtbank met zich brengt dat de criteria uit de welstandsnota buiten toepassing moeten blijven voor zover de toepassing van die criteria leidt tot strijd met wat op grond van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, van de Wabo, is toegestaan. In de ruimtelijke onderbouwing mag evenwel het belang dat de betreffende welstandscriteria beogen te beschermen niet uit het oog worden verloren. In het onderhavige geval blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing voldoende dat verweerder het belang dat de criteria uit de welstandsnota beogen te beschermen in zijn beoordeling heeft betrokken.
Vindplaats(en):    Rechtspraak.nl
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling bestuursrecht

locatie Assen

zaaknummer: AWB 12/456

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2013 in de zaak tussen

[eisers], wonende te [plaats], eisers
(gemachtigde: mr. H. Martens),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Woonborg, te Vries, vergunninghouder.

Procesverloop

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum samen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Bij besluit van 31 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de nieuwbouw van 25 appartementen aan [adres] te [plaats] (inclusief algemene ruimten, terreininrichting en groenvoorziening en het gebruik van de voormalige [school]).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2013. [eiser] is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Breukers en O. Horlings. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. van den Goor en C.A. Folkerts.

Overwegingen

1.  De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Het bouwplan voorziet in de nieuwbouw van 25 appartementen aan [adres] te [plaats]. Het bouwplan is in strijd met het geldende bestemmingsplan "[plaats] Kom II". Verweerder heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), een omgevingsvergunning verleend voor (onder andere) de activiteiten bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo.

2.  Over de verlening van de omgevingsvergunning voor het gebruiken in strijd met het bestemmingsplan overweegt de rechtbank als volgt.

2.1.  Eisers voeren aan dat zij door het bouwplan onevenredig in hun belangen worden geschaad. Eisers stellen, samengevat weergegeven, dat verweerder de gevolgen die het bouwplan voor hun uitzicht en privacy heeft, onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken. De nieuwbouw is vanuit de woning van eisers goed zichtbaar en wordt niet door de beplanting aan het zicht onttrokken. Ook is de nieuwbouw niet ondergeschikt. Het bouwplan is groot in verhouding tot de gebouwen in de directe omgeving, terwijl de Omgevingsvisie Drenthe uitgaat van kleinschaligheid. Eisers voeren verder aan dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij voor de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen afwijkt van de normen van de ASVV.

2.2.  Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan slechts worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

2.3.  De rechtbank stelt vast dat de "ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het vigerende bestemmingsplan voor de H. [school] en omgeving te [plaats]" van 12 maart 2012 als bijlage deel uitmaakt van het bestreden besluit. In de ruimtelijke onderbouwing is uitgebreid uiteengezet waarom en op welke wijze de herontwikkeling van de H. [school] en omgeving ruimtelijk is ingepast. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze onderbouwing aan het in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, van de Wabo gestelde vereiste voldaan.

2.4.  De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan weliswaar invloed heeft op het uitzicht en de privacy van eisers, maar dat die invloed niet zodanig is dat eisers daardoor onevenredig in hun belangen worden geschaad. Verweerder heeft in de beoordeling meegewogen dat de nieuwbouw vanaf het perceel van eisers goed zichtbaar zal zijn en dat de nieuwbouw vanaf het achterste deel van het perceel van eisers gezien bepaald niet ondergeschikt is. Vanaf de voordeur, het raam in de achtergevel en het terras is echter steeds slechts een deel van de nieuwbouw te zien. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de toekomstige bebouwing gezien vanaf [adres], waar eisers wonen, door de situering achter de huidige bebouwing en de boombeplanting ondergeschikt is in het totale beeld. Verweerder heeft verder meegewogen dat het tuinplan voor het plangebied voorziet in het aanvullen van onderbeplanting en dat daardoor het doorzicht door de groenstrook verder zal afnemen. Verweerder heeft verder mee kunnen wegen dat de afstand tussen de nieuwbouw en de woning van eisers nog altijd fors is voor een woonomgeving.

2.5.  De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Omgevingsvisie Drenthe zich niet tegen de omgevingsvergunning verzet. Volgens de omgevingsvisie wordt belang gehecht aan (bij Drenthe passende) kleinschaligheid. Verweerder heeft in de reactie op de zienswijze voldoende gemotiveerd dat het bouwplan weliswaar niet gering in omvang is, maar dat het bouwplan zo is vormgegeven dat het, ook in relatie tot de andere bebouwing in de directe omgeving, niet uit de toon valt. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat in plaats van meerdere losstaande gebouwen nu weliswaar één bouwmassa wordt gerealiseerd, maar dat die geleed en gevarieerd is in hoogte, vorm en richting.

2.6.  De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aangehouden aantal van tien parkeerplaatsen voldoende is. Verweerder heeft voldoende onderbouwd waarom geen aansluiting is gezocht bij de normen van de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV). Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat het beoogde gebruik meer overeenkomt met kamerverhuur in een studentenflat, dan met een regulier verpleeg- en verzorgingstehuis en dat daarom geen aansluiting is gezocht bij de normen die voor de laatstgenoemde categorie worden gehanteerd. Verweerder heeft in de ruimtelijke onderbouwing een gedetailleerde, op de situatie toegesneden berekening gegeven waaruit blijkt dat het aangehouden aantal van tien parkeerplaatsen voldoende is voor personeel en bezoekers. Verweerder heeft daarbij kunnen meewegen dat de bewoners zelf niet in staat zijn een auto te besturen, geen auto hebben en dat daarom voor de bewoners zelf geen parkeerplaatsen nodig zijn.

2.7.  Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen om een omgevingsvergunning te verlenen voor het met de bestemming strijdige gebruik.

3.  Over de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk overweegt de rechtbank als volgt.

3.1.  De gemachtigde van eisers heeft - desgevraagd - ter zitting meegedeeld de beroepsgrond dat sprake is van strijd met de bouwverordening niet langer te handhaven.

3.2.  Verweerder heeft ter zitting een welstandsadvies van 9 januari 2013 overgelegd. De rechtbank zal dit stuk vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten, omdat dit stuk zodanig laat in het geding is gebracht en niet valt in te zien dat verweerder de welstandscommissie niet in een eerder stadium om een nieuw advies had kunnen verzoeken.

3.3.  Eisers voeren aan dat het bouwplan in strijd is met de Welstandsnota 2008 omdat het bouwplan betrekking heeft op een groot complex met twee bouwlagen, terwijl in de welstandsnota staat dat "de hoofdvorm dient te worden bepaald door één bouwlaag met duidelijke en langgerekte kap".

3.4.  Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning (voor de activiteit bouwen) geweigerd als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

3.5.  De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot gebouwen in het gebied van het bouwplan in de welstandsnota staat dat "de hoofdvorm dient te worden bepaald door één bouwlaag met duidelijke en langgerekte kap", terwijl het bouwplan voorziet in twee bouwlagen. De welstandscommissie heeft hieraan niet kenbaar aandacht besteed. Dit brengt echter naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat het bestreden besluit onrechtmatig is te achten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.6.  Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Woningwet blijven de welstandscriteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, van die wet buiten toepassing, voor zover de toepassing van die criteria leidt tot strijd met het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke toepassing van artikel 12, derde lid, van de Woningwet mee dat de betreffende criteria ook buiten toepassing moeten blijven voor zover de toepassing van die criteria leidt tot strijd met wat op grond van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, van de Wabo is toegestaan. In de op grond van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, van de Wabo gegeven ruimtelijke onderbouwing mag dan evenwel het belang dat de betreffende welstandscriteria beogen te beschermen niet uit het oog worden verloren.

3.7.  In de ruimtelijke onderbouwing van 12 maart 2012 is overwogen, voor zover van belang en samengevat weergegeven, dat het huidige in de welstandsnota geformuleerde beleid vooral is gericht op het gebied ten zuiden van [adres], maar dat het beeld in [adres] zelf enigszins afwijkend is. Daarnaast is de ruimtelijke situatie van [adres] sterk aan ontwikkeling onderhevig, zodat het noodzakelijk is voor dit gebied nieuw ruimtelijk (welstands)beleid te formuleren. Het uitgangspunt is daarbij het versterken van de ruimtelijke kwaliteit, gebaseerd op de kenmerken van de Brink en Mensinge. Voor de situering betekent dit dat de bebouwing min of meer vrij in de ruimte komt te liggen. Daarbij staat de bebouwing in een min of meer onregelmatige rooilijn. De oriëntatie en hoofdrichting van de hoofdbebouwing staan in principe haaks op [adres] maar is niet eenduidig ten opzichte van elkaar. Voor de bebouwing zelf betekent dit dat ervan wordt uitgegaan dat de hoofdvorm dient te worden bepaald door één of hoogstens twee bouwlagen met een duidelijke en langgerekte kap. De massaopbouw is enkelvoudig of kent een duidelijk onderscheid tussen een representatief deel en het bedrijfsdeel. De vormbehandeling is in principe geënt op de ambachtelijk-traditionele bouw. Bijgebouwen zijn ondergeschikt.

3.8.  Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt verder dat het voorliggende bouwplan anticipeert op het (nog verder te ontwikkelen) beleid. Er is sprake van een hoofdgebouw (H. [school]) en een bijgebouw (nieuwbouw appartementen). De hoofdrichting van de nieuwbouw staat haaks op het hoofdgebouw en is door de situering achter de schoolmeesterswoning ondergeschikt. Door het handhaven van de grote bomen en het toevoegen van nieuwe bomen, ook in het profiel van [adres], wordt het groene karakter van [adres] ter plaatse versterkt. Ook functioneel en landschappelijk is de nieuwe ontwikkeling goed inpasbaar in het gebied. De appartementen bestaan uit maximaal twee bouwlagen met kap. Het gebouw heeft een slanke, langgerekte vorm met gedeeltelijk forse kappen. De kleurstelling is sober. Daarmee zijn de school en de nieuw te bouwen appartementen goed aan de kenmerken van de omgeving aan- en ingepast.

3.9.  Uit het voorgaande volgt dat verweerder er blijk van heeft gegeven het belang dat de criteria uit de welstandsnota beogen te beschermen voldoende in de belangenafweging te hebben betrokken. De criteria uit de welstandsnota dienen daarom buiten toepassing te blijven. Gelet op het voorgaande kan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk worden verleend.

4.   Het beroep is ongegrond.

5.  Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, rechter, bijgestaan door mr. A.M. Ariese, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2013.